Categorie: Ontmoetingen

Een bijzonder gewone dag

b-m3

Het was op de uitgerekende dag, 8 april 1999. In het kleine slaapkamertje aan de Klompenmakerstraat in Alkmaar schreeuwde M. ons kind haar lichaam uit. Een dochter! Madelief, zo was haar naam. Want dat hadden we al bedacht. Madelief was mooi, wel wat tenger vond ik. Vooral gezien de buik van M. Opluchting, want alles zat er op en er aan. Vreugdetranen en kussen op het bezwete voorhoofd van M. De verloskundige keek iets minder vrolijk. Na enig aarzelen vroeg zij mij om haar collega te bellen en sprak zij M. dwingend toe: “Blijf nog maar even liggen, ik geloof dat er nog een komt.” Verbazing: “Huh? NOG een?” M. kreunde; het is toch alsof je de marathon moet overdoen zeg maar. De collega kwam en Bart – we hadden twee namen – kondigde zich aan. Niet met zijn hoofdje, maar met z’n billen richting het licht. Zorgen bij de verloskundigen, niet bij mij. Ik was in een roes. “Hebben wij weer”, dacht ik grijnzend, “een tweeling!” Een tijdje later lagen er twee bloedjes van kinderen in de wieg. Een wieg zonder voeteneinde, want aan allebei de kanten stak een klein kinderhoofdje uit de deken.

Een tweeling, prachtig. Het mooiste is wel dat wij het vooraf niet wisten. Geen extra zorgen tijdens de zwangerschap, geen ziekenhuisbevalling, geen echo’s. Geen extra alarmbellen nadat M. met 8 maanden van de trap stuiterde. Geen stress, geen aanpassingen en geen enkele voorbereiding. Ik kan je zeggen: dat is ook helemaal nergens voor nodig gebleken. Primair was alles geregeld door de natuur, ik bedoel, ook M. heeft twee borsten en de rest is allemaal voor later.

Waar voor de verloskundigen (zij hadden dit niet voorzien), schoonmoeder (die dacht dat ik haar in de maling nam) en mijn ouders (o jee, hoe moet dat nou?) de wereld even stil stond, draaide de wereld voor ons gewoon door. Alleen iets sneller, intensiever en intenser. Toen iedereen was opgehoepeld en M. lag te rusten rookte ik een sigaretje in de tuin. Het groen was groener, de lucht was blauwer en de vogels zongen luider.
Het was een bijzonder gewone dag.

(Dat de heer De Graaf uit Delft de stand van zaken omtrent de clusterbesturen (punt 11) wilde weten is mijn destijds volledig ontgaan.)

Dat nemen we mee

voetbalveld
‘Dat nemen we mee’.
De gemeenteambtenaar spreekt rustig, glimlachend en begrijpend knikkend.
‘Dat nemen we mee’, zegt de ambtenaar. Een keer of veertig deze avond.
De ambtenaar is aangewezen om een toelichting te geven op het nieuwe beleid van de gemeente. Hij doet dit met een presentatie. Zo’n Prezi ding. Wij, de sportbestuurders mogen vragen stellen. Graag zelfs. De ambtenaar krijgt veel vragen. Kritische vragen. Hoe je bijvoorbeeld zelf verantwoordelijk kunt zijn voor de netten in een doel wanneer de gemeente verantwoordelijk (want eigenaar) is van de accommodatie.
‘Dat nemen we mee.’
Of, als je het eigendom van de clubgebouwen van een aantal verenigingen gratis overdraagt aan de verenigingen, hoe je dit rijmt met die verenigingen die zelf de clubgebouwen gebouwd en gefinancierd hebben.
‘Dat nemen we mee’, antwoord de ambtenaar glimlachend.
Verenigingen kunnen een deel van een nieuw kunstgrasveld gesubsidieerd krijgen ‘als daar voldoende noodzaak toe is’, zo legt de ambtenaar uit. Wanneer is er ‘voldoende noodzaak’, is de vraag.
‘Dat nemen we mee’, is het antwoord.
Na een uurtje is de ambtenaar klaar met zijn verhaal, pakt zijn spullen en vertrekt.

Nog even kijkt hij om.
Ik denk om te controleren of hij niets vergeet mee te nemen.

De Luisteraar

eenzaamheid1

“Weet u, ik snap er niets van. We hebben al zoveel meegemaakt, en dan nu dit!” De oude vrouw keek hem met grote ogen aan. Het viel hem op hoe gaaf haar huid nog was. Glad, met roze wangen. Rimpelloos bijna. Hij vroeg zich af wat nu maakte dat hij wist dat de vrouw tegenover hem ergens achter in de 80 moest zijn. Waren het haar ogen? Of was het alleen het witte haar? Vreemd, dat ook een oud mens zonder rimpels in het gelaat oud is. En dat je dat meteen ziet. “Ziet u, ik was de laatste van 8 kinderen. Mijn moeder was al 45 toen ik er nog eens achteraan kwam. Ik heb mijn broers en zussen nooit als kind gekend meneer, alleen als volwassene. En mijn moeder stierf toen ik nog geen 30 was. Weet u dat ik iedere keer als er vliegtuigen overkomen schrik meneer? Het doet mij denken aan de oorlog, ik zat toen in de trein. Er kwam een vliegtuig van de Duitsers, en ik had een baby op mijn schoot. Niet van mij hoor, ik was pas 15. Maar de trein stopte en wij moesten de trein uit, het weiland in. Het vliegtuig bleef maar komen en schoot de trein in brand meneer. Het was vreselijk! We hebben zoveel meegemaakt meneer! En het komt allemaal weer terug. Ik schrik vaak midden in de nacht wakker, dan denk ik aan die vreselijke bevalling van mijn zoon. Of aan de dag dat mijn broer in mijn armen stierf. Hij stikte meneer en hij was pas 56. Die ogen, die stervende ogen, ik vergeet het nooit meer. Al die dingen die we hebben meegemaakt. Ik denk vaak waarom toch? Waarom moest het toch allemaal zo gaan meneer? Ik ben alleen over, er is niemand meer. Mijn broers en zussen zijn allemaal dood. Mijn man is dood, mijn zoon is dood. En ik had zo graag een dochter gehad. En willen werken in het ziekenhuis. Maar dat kon niet, want de ouders van mijn man hadden een winkel, en wij moesten de winkel overnemen. En nu ben ik 87. Ik heb altijd alles voor iedereen gedaan. En waarom? Waarom meneer? Waarom zit ik nu hier. Alleen, in dit huis. Waar is dit nu allemaal goed voor?”

De oude vrouw pakte een zakdoek en wreef over haar gezicht. De man zweeg. Hij wilde wel wat zeggen, maar kon de juiste woorden niet vinden. Maar misschien was het ook wel beter zo. Zwijgen was misschien wel zo gepast. Hij pakte het kopje voorzichtig van de tafel en nam een slokje thee.

“Begrijpt u dat nou meneer? Er is al zoveel gebeurd, en nu dit weer. Houdt het dan nooit eens op? Waar heb ik het toch allemaal aan verdiend? We zijn hier allemaal maar één keer meneer. En mijn tijd is bijna om. Ik heb iets meer om naar toe te leven, en wat achter mij ligt meneer, ach, het meeste wil ik niet eens aan denken. En nu dit weer!”

De oude vrouw keek hem een moment doordringend aan en zuchtte diep. “Maar goed, daar kunt u natuurlijk ook allemaal niets aan doen. Sorry hoor, het moest er gewoon even uit. Wilt u nog een kopje thee?”
De man stond op van de stoel en bedankte de oude vrouw vriendelijk.
“Ik zal nu eerst even naar de wasmachine kijken. Ik denk dat het gewoon de thermostaat is. Ik zal hem even vervangen, kunt u over een uurtje de was weer doen.”

Loslaten

birds
Als ik het kon
liet ik je gaan
niet als een ballon
vast aan een draadje
maar als een vogel zweven
gedragen door de wind en zon
als ik het kon

vind ik de moed
laat ik je gaan
kijk ik je na
en zal ik zo nu en dan
nog even naast je staan
dan is het goed
vind ik de moed

is het al tijd
dan is het vroeg
laat ik je los
omdat dat moet
zonder spijt
als jij het kunt
dan wordt het tijd

Even laten poetsen

laten-poetsen

“Heb je al een cadeautje gekocht voor mij?”, vraagt mijn vrouw over de telefoon.
Denk nou niet dat zij bang is om wat te kort te komen. Nee, mijn vrouw is echtgenoot en moeder, dus zij wil de dingen geregeld hebben. Ik koop het gezamenlijke cadeau en dat moet wel geregeld zijn.
Anders staat mijn vrouw voor lul, sta ik voor lul en staan de kinderen voor lul.

Mijn vrouw heeft het cadeau ook al uitgezocht. Ik vermoed dat het feit dat ik niet gevraagd heb wat zij wil hebben hierbij een rol speelt. Aan de andere kant wil zij graag nieuwe oorknoppen, en smaak is persoonlijk.
Ik heb op mijn bureau dus 2 print-outs liggen van foto’s die zij heeft genomen van de etalage bij de plaatselijke juwelier.
Kandidaat cadeautjes zogezegd.

In de juwelierszaak sta ik oog in oog met een vrouw die nergens meer van opkijkt. Dat straalt zij ook uit. ‘Ik kijk nergens meer van op!!’, je ziet het aan haar houding, de woorden liggen op haar lippen en het straalt uit haar terneergeslagen ogen. Deze vrouw zou zonder blikken of blozen een gaatje in mijn glans prikken wanneer ik er om zou vragen. Al was het maar om vol te houden dat zij nergens meer van opkijkt.
Ik verkondig vrolijk dat ik een opdracht, nee, een missie heb. De vrouw kijkt er uiteraard niet van op. Zij kijkt ook niet op wanneer er een andere vrouw binnenstapt – die overigens de indruk maakt ook echt helemaal nergens meer van op te kijken – en zonder verder wat te zeggen of iemand te groeten via de de deur in de hoek van de winkel in het niets verdwijnt.
Ik pak de print-outs uit mijn zak en wijs aan welke oorknoppen ik wil kopen en vertel haar waar ze liggen in de etalage. De vrouw knikt en maakt aanstalten om de oorbellen te pakken.
Even later liggen de beide knoppen op de toonbank.

“Mooi!”, zeg ik. De vrouw kijkt daar natuurlijk niet van op.
Ik laat de vrouw zien wat mijn echtgenote voor de zekerheid op de print heeft geschreven: ‘even laten poetsen’.
“Ik zal ze even in bad doen”, zegt ze zonder op te kijken. “Niet dat ze er veel lichter van worden, dit zilver is gewoon wat donker.”
Even later gaan de twee knoppen glanzend (en veel lichter) in een knoppendoosje, grijpt de vrouw blindelings een precies op maat gesneden velletje inpakpapier, maakt er een pakketje van en plakt er als laatste een gouden kunstroosje op.
“Dan wordt het 36 Euro en 50 cent”, zegt zij.

Wanneer ik de deur uit ben realiseer ik mij dat ik mijn muts en handschoenen in de winkel heb laten liggen.
“Oeps!”, roep ik terwijl ik mij omdraai om ze te pakken.
De vrouw staart mij wezenloos aan.
“Als je maar niet denkt dat ik daar van opkijk”, lijkt ze te denken.