jaar2013

Hadjara

honor-killing1
Ik herken haar niet meteen. Zij stapt binnen op de briefing van de Directe Hulp Huiselijk Geweld in het kader van de kennismaking. Een nieuwe medewerker. Zij kent mij wel, blijkbaar, want zij stapt op mij af en lacht. “Daar ben ik dan, zoals afgesproken”, zegt ze. Dan zie ik het. Deze jonge vrouw bracht ik een paar jaar eerder van een dorp in Friesland naar een ‘veilige plek’ ergens in het land, Hadjara had destijds nog een andere naam. 24 Jaar was zij toen. Zij was gevlucht uit het huis van haar familie waar zij al een paar maanden gevangen zat. Gevangen omdat zij aan haar ouders had verteld dat zij een Hollandse vriend had ontmoet. Deze vriend was bereid moslim te worden. Ook had Hadjara opgebiecht geen maagd meer te zijn. Haar ouders waren geschokt. Hadjara moest naar de huisarts om een hersteloperatie te laten uitvoeren en kreeg huisarrest. Vanaf het moment dat zij zich had uitgesproken sprak haar vader niet meer met haar. Geen woord. Hadjara mocht niet meer naar school of de sportvereniging. Ook mocht zij haar rijlessen niet meer volgen. Zij mocht geen contact met de buitenwereld meer onderhouden en waar zij ook in huis ging; altijd was er een familielid aan haar zijde om te voorkomen dat zij naar buiten ging of contacten met de buitenwereld onderhield. Haar vriend liet via een kennis weten de relatie te stoppen, het was hem allemaal te bedreigend. Op een dag was zij gevlucht met niets anders dan de kleding die zij droeg en een verlopen paspoort.
Ik denk terug aan de autorit die wij maakten op die vrijdagmiddag in november. Hadjara vertelde over zichzelf, de cultuur waarin zij leefde maar vooral over haar ouders. Een intelligente, jonge vrouw die jaren had geworsteld. Thuis was zij het brave moslimmeisje, buiten was zij een zelfbewuste Hbo-student, verliefd, verwesterd en bevrijd. Tot zij het leven in twee werelden niet meer kon verdragen en het haar ouders vertelde. Ik herinner mij de enorme moed die deze vrouw had. Alles kwijt, iedere band met de familie verbreken en totale onzekerheid. Om maar te zwijgen over het risico op eerwraak. En toch de moed hebben om te geloven dat het goed gaat komen. Dat de vrijheid om zelf te kiezen het allergrootste goed is. Liever opnieuw beginnen, liever alleen, liever de onzekerheid dan de zekerheid van een bestaan waarin anderen voor jou bepalen wat goed voor je is, wat je wel of niet mag en met wie jij wel of niet om mag gaan. Hadjara vertelde over haar opleiding en wat zij later wilde doen met die opleiding. Ik lachte en zei dat het toch wel heel mooi zou zijn als juist zij over een paar jaar bij FierFryslân zou komen werken. “We hebben mensen als jij nodig. Mensen die de cultuur echt kennen. Mensen die de dilemma’s echt snappen. Wij kunnen de pijn wel invoelen, maar jij kunt meer. Jij begrijpt veel meer van de context.” Toen ik haar op de plaats van bestemming afzette zag ik Hadjara voor het eerst gespannen en nerveus. “Het komt goed. Jij komt er wel”, zei ik toen ik afscheid van haar nam.
En nu stond zij hier. Een paar jaar verder, gediplomeerd, trots en stralend van energie en kracht.
Prachtig!!

Ik hoop dat het verhaal van Hadjara zo gaat als ik het hier schets.
De werkelijkheid is namelijk dat het nog maar kort geleden is dat ik haar naar een veilig adres bracht. Dat ik er in geloof dat het kan gaan zoals ik het beschrijf geeft mij hoop.

En hoop is toch wel een van de belangrijkste ingrediënten die we nodig hebben om als hulpverleners te kunnen en blijven doen wat we doen.
Moed en hoop, dat is een sterk team.

De bevrijding

rotterdam

Zij lag op een dunne matras op de grond. Een bed kon ze niet meer in slapen. Dat kwam door Indië. Eigenlijk kon zij helemaal niet meer slapen. Wanneer zij haar ogen dicht deed kreeg zij koorts, buikpijn en rook zij de stinkende asem van de mannen die haar vernederden, schopten, sloegen en verkrachten. Iedere nacht opnieuw werd haar onschuld haar afgenomen, iedere nacht opnieuw werd haar leven vernield en de weg naar haar toekomst afgesloten. Dus hield zij de ogen zo lang als mogelijk open, probeerde zij te luisteren naar de geluiden uit de straat of prevelde zij kinderliedjes in een wanhopige poging het schreeuwen in haar hoofd te overstemmen. Wanneer de ochtend kwam voerde zij de stadsduiven, dronk water en at een snee brood. Als het niet echt nodig was de deur uit te gaan bleef zij binnen. De gordijnen dicht, de deur op slot. Haar leven was ondragelijk en haar leed ondeelbaar. Haar eenzaamheid was geen keuze, het was haar lot.
Op een avond kwam de koorts niet meer, kwamen de mannen niet en voelde zij de pijn niet meer omdat het leven haar definitief losgelaten had. Zij stierf niet, zij werd bevrijd.
Het zou tien jaar duren voor zij gevonden werd.

Bij de voedselbank

voedselbank

Vrijdagmiddag. Ik sta in de rij bij de voedselbank. Niet voor mij (gelukkig), maar voor een klant. Die klant is een 23-jarige Marokkaanse jongen met een Algerijns paspoort zonder verblijfstatus, uitkering, werk, woning of netwerk. Al 13 jaar in Nederland. Hij kan niet worden uitgezet, maar er is ook geen voorziening die hulp biedt aan deze categorie mensen. Balen. Sneu verhaal ook.
De rij is lang. Om de 5 minuten zwaait de deur open en wordt er een aantal afgeroepen: “Volgende drie!” Het klinkt streng. In de rij zijn mensen geduldig. Men praat wat, want men kent elkaar blijkbaar. Er is geen gêne of schaamte te zien. Wel te horen, als je goed luistert. “Vorige week kreeg ik het verwijt dat ik hier met een Mercedes kwam”, zegt een man tegen een vrouw die – aan haar stem te horen – veel te veel sherry drinkt en Mantano sigaretten rookt. “Maar dat komt, ik woon boven een kroeg. En de kroegbaas zei me de Mercedes maar even te gebruiken”, legt hij verontschuldigend uit. De deur zwaait open en een vrouw, nee, een moeder stapt naar buiten met drie zware tassen. Ze lacht, tenminste, ze heeft een beetje een verbeten grijns. Blij dat ze eten heeft, verhard door de wanhoop. Zoiets. Uit een van de tassen steekt een rol sinterklaaspapier. “Ha, kijk aan: pakpapier”, roept iemand olijk. “Nu nog iets om er in te stoppen”, zegt een ander. Even is de rij stil. “Kazan, af!!”, brult een jonge man tegen zijn pitbullpup. Het beestje hangt in een broekspijp. “Hij is pas 9 weken”, verontschuldigd de jongeman zich. Een auto met Pools kenteken stopt. Twee mannen, de achterbank vol spullen. Slaapzakken, tassen. Blijkbaar doet dit opeltje ook dienst als camper.
Het begint te regenen. Geen overkapping, geen beschutting, alleen de verschutting. De buitenwereld kijkt immers mee.
“Volgende drie!”, gebiedt een corpulente vrouw. Binnen hangt een beetje een kerstsfeer. Alsof de het niet de voedselbank, maar het uitdelen van de kerstpakketten betreft. Mijn Marokkaanse gezel krijgt een pasje, een goedkoop geplastificeerd kaartje met zijn naam en de periode in welke de pas recht geeft op voedselbankondersteuning. De inhoud van het pakket is afgestemd op zijn leeftijd en het feit dat hij alleen is.
Ik sta er bij en kijk er naar. Grote hoeveelheden goed voedsel, afgeschreven door ons die het beter hebben. Gered van de afvalberg. Andijvie met een randje. Net niet dagvers brood. Ik figureer in een film en het stemt mij droevig. Alleen al door er naar te kijken.
Buiten heeft de moeder de zware tassen in een veel te grote auto geladen. De ramen zijn beslagen. Het kreng wil niet starten, de accu laat het afweten.
De rij kijkt, zwijgt en wacht af.

Lochem, kaneelkoek en de dood

bamigoreng

Rob is rust, altijd. Als dit de maffia was, dan was Rob de capo di tutti capi. Dicht bij iedereen, maar met gepaste afstand. Koffie, donkerzwarte koffie. De eerste foto. Een beleefde hand voor een nieuw gezicht. Open deuren, letterlijk. Licht. Kaneelkoek en soesjes, van een bakker met een andere voornaam dan Bart, want zo gaat dat hier nog, in Lochem. Er moet meer koffie komen, maar hoe. Henk Jan is al boven met twee vrouwen, dat is geen optie. Grote kerels, klein apparaat. Dementieel tafereel. Aan knopje uit, of uit knopje aan? Koffie! (En waar is de koelkast?)
Bang! De dood struikelt met een klap op de hardhouten tafel. Welkom, want zwijgen is nooit een optie. Woorden kussen voorzichtig aan haar tranen, het is goed. Zo gaat het en zo moet het gaan. Blonde God en testament. Nieuwe plannen, media. Punkmedia. Wraak! Want wraak is zoet, dus een soesje. En kaneelkoek. (Aha, daar is de koelkast dus!)
Mijn Moment, als tijdsbeeld. De tijdgeest.
De motor brult, want Burgwerd roept.
En ergens in Lochem zet een bamibakker glimlachend de pannen op het vuur.

Bedankt Sandra, Anna-Maria, Rob en Henk Jan.

Dolen in het niets

oude-man

Het was niet dat het op volgorde stond. Voor ieder ander was het een verzameling ondoorzichtige ruimtes vol met ladekastjes. Alleen hij kende de indeling. Intuïtief. Er was geen plattegrond, geen database op een computer en zelfs geen ouderwetse Rolodex. Er waren kamers met kasten waar hij dagelijks kwam, en er waren kamers met kasten waar hij al in een eeuwigheid niet was geweest. Dat waren stoffige kamers, met kasten met piepende deuren en lades die zich nauwelijks wilden laten openen. Maar als het nodig was, als de tijd daar was, dan was het er. Altijd. Vroeg hem naar het WK van 88 en hij ging naar de juiste kast, opende een van de vele lades en pakte uit de grote stapel kaarten die van het WK 88. Feilloos. Gaf hem de opdracht om de oppervlakte van een cirkel uit te rekenen en hij kwam met de formule. Vroeg hem naar de juf van de 3e klas HAVO en hij gaf je de naam, de haarkleur en het karakter. Het duurde misschien wat langer, niet omdat hij het niet kon vinden maar omdat de scharnieren van de kast wat roestig waren en de lade enigszins vastgestofd zat. Nieuwe herinneringen kregen een plekje in een nieuwe kast, of werden toegevoegd aan een lade van een bestaande kast. Hoe werd bepaald wat in welke kast en welke lade werd opgeborgen wist niemand, ook hij niet. Het gebeurde gewoon. Er waren genoeg ruimtes, genoeg kasten en voldoende lades om een heel leven in op te bergen. Een heel leven aan herinneringen, vaardigheden en vermogens.
Dacht hij.

Het begon heel klein, nu een jaar of drie geleden. Terwijl hij in de supermarkt stond kon hij het boodschappenlijstje niet meer vinden. Nee, niet het briefje dat mensen maken waar op staat wat je moet kopen, dat had hij nog nooit gedaan. Nee, hij kon het kaartje niet vinden in de lade waar het zou moeten zijn. En het was niet dat hij de juiste kast niet opende, of in de juiste lade keek. Het was zelfs het juiste kaartje dat hij pakte. Er stond alleen niets op. Het overkwam hem steeds vaker, zo’n leeg kaartje. En wat erger was, hij raakte hele kaarten zoek. Opende hij een kast, trok hij de juiste lade open zat de kaart die hij nodig had er niet in. En hoe hij ook zocht, de kaart was niet te vinden, alsof hij nooit bestaan had en hij hem nooit beschreven had.
En het werd snel erger. Niet alleen trof hij lege kaartjes, er raakten kaarten zoek. Vijftien maal vijftien bijvoorbeeld. Hij kon de kaart niet meer vinden waarop vastgelegd was hoe hij dat moest uitrekenen. De kaart met de bediening van de televisie raakte zoek, de kaart met telefoonnummers: weg.
Binnen een jaar was hij hele lades kwijt. En het duurde niet lang voor hij complete kasten met tientallen lades en duizenden kaarten kwijt was. Uiteindelijk was zijn eens zo complete archief vergaan tot een chaotische verzameling van niet tot elkaar samenhangende kasten, lades en rondslingerende kaarten met niet relevante informatie. Bij ‘fiets’ riep hij ‘slag’, ‘karbonade’ werd ‘kluif’ maar meestal kon hij in het geheel de bijbehorende kast, lade of kaart niet meer vinden. Dan greep hij zich maar vast aan de eerste de beste kaart die zich aanbod.

Er zat uiteindelijk niets anders op dan hem op te nemen in een verzorgingshuis. Met dichte deuren ter bescherming en verzorging voor de dag en nacht. Vaak zit hij daar in de binnentuin. Stil, een beetje gebogen met ogen die dolen in het niets.

Kijk vanavond naar deel II van ‘DementieEnDan‘.

© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑