Ik slaak een kreet: “Hey, ik sta geld te wisselen!!” De parkeerwachter vertrekt geen spier en schrijft zijn bon. Ik word boos. Ik snauw hem toe dat zijn moeder wel trots op hem zal zijn, als hij vanavond over zijn avonturen vertelt. Dat helpt uiteraard niet.
Hij blijft ijzerenheinig doorschrijven. De benen een beetje uit elkaar. Als Ronaldo, die een vrije trap neemt.
“Klootzak”, sis ik hem toe.
Het lijkt hem niet te deren.

“It Klaailand, Burgwerd”, zeg ik. “Ja, Hallo! Jij denkt zeker dat ik een plattegrond van ieder dorp hier in mijn hoofd heb! Postcode!?” Hij zegt het niet, hij blaft het me toe. Zijn speeksel krijg ik er gratis bij. Een slagboom, een hokje. Het is geen 1942 en de man in het hokje is geen SS-er. Het is een opzichter van de vuilstort in Bolsward.
Postcode, of opdonderen.
Zoiets.

Ouder en wijzer ben ik. Ik weet zo langzamerhand tegen wie je beter niet in opstand kunt komen. De machtelozen van deze wereld zijn vaak de ware machtsmisbruikers.
Meebuigen, dat werkt beter.

Achter mijn huis zie ik een maaimachine rondjes draaien in het park.
Aan de voordeur staat een mannetje (type van Velzen). Of ik de trampoline even van het grondgebied van Staatsbosbeheer wil halen. Ik loop met hem mee. Het mannetjes stottert. Geeft niks.
Ik sleep de trampoline een meter of 3 de tuin in. Het mannetje kijkt naar mijn oven. Hij knijpt een oog toe en trekt een timmermansgezicht. “Die staat ook niet helemaal zuiver”, zegt hij. Ik zeg hem dat hij de oven (gemetselde baksteen op 10 centimeter gewapend beton) best mee mag nemen. Het mannetje kijkt verder. “En dat?”, vraagt hij, terwijl hij wijst naar de wilgen. “Dat komt door jullie”, zeg ik. “Bij het leeghalen van de sloot donderen jullie alles daar neer, inclusief wilgentakken. En nu staan er dus bomen.” “Dat is niet van ons, de sloot is van de gemeente.” Hij kijkt triomfantelijk. “Dan zijn we het eens”, zeg ik. “Met wat?”, vraagt hij. “Dat het dus niet van mij is”, glimlach ik. “Dan haal ik het weg”, bast het mannetje. Hij grijpt een portofoon en roept zijn slaafje op. Dat is die met die maaimachine. “Erwin, achterkant Klaailand, nu!”
De maaimachine komt, de boel gaat plat.
Als de rook is opgetrokken en de staatsbeheerders zijn vertrokken zet ik mijn trampoline terug waar hij stond. Mijn oven staat er uiteraard nog. Net als de bomen.
Tot volgend jaar, denk ik glimlachend.
En bedankt hè.
Voor het maaien.
Gneh.