De stilte was hem oorverdovend. Niet dat het ontbreken van geluid de stilte zo beklemmend maakte, hij was al jaren doof. Het was de stilte van het alleen zijn. Het verstikte hem. Het huisje waarin zij al sinds jaar en dag woonden was klein en sober. Maar al was de woonkamer nog geen twaalf vierkante meter groot, zonder haar hoorde hij zelfs de echo van zijn eigen gedachten terugkaatsen van de kale muren.
“Godverdomme!!”, vloekte hij huilend.
Poes sprong op zijn knieën. Hij kon zien dat het beestje miauwde, horen deed hij het niet. Het beestje had al dagen niets gevreten. Hij streek een grote eeltige hand zacht schokkend over haar vacht. Hij wist dat Poes haar ook mistte. “Ze hebben haar afgestolen”, fluisterde hij bijna sissend, “gewoon afgestolen!”
Zo bleef hij zitten voor het raam, zoals hij dit al zeven avonden deed. Poes op schoot, de televisie op het sportkanaal, zijn blik naar buiten.
Als het mooi weer was liepen er soms mensen langs de kleine beheerderswoning op weg naar het graf van een dierbare. Gingen zij linksaf, dan waren zij van goede komaf. Liepen zij rechtdoor, dan waren zij van eenvoudige snit. Namen zij het paadje naar rechts, dan liepen zij naar het glazen monument dat hij gemaakt had voor de ruim tweehonderd baby’s die daar tot 1976 begraven waren. Nou ja, begraven. Ze waren meer ‘achter de heg gemieterd’, zoals hij dat uitdrukte. In een simpele doos of kist. Zonder steen, zonder eigen gedenkteken. Omdat ze stierven voor zij waren gedoopt.

Naast het huisje stond een kleine grafsteen. Je kon het vanuit de huiskamer zien. ‘Anna, geboren 2 mei 1960 – overleden 6 juni 1963’, stond in het steen gebeiteld. Het was alleen een gedenksteen, hun dochtertje was ergens anders begraven. Zij waren immers niet katholiek.
Hij had de steen naar hier verhuisd, voor haar. Zodat zij niet hoefde te zoeken, en zou verdwalen.

“U heeft uw vrouw zwaar mishandeld meneer, geef het maar toe!” “Nee edelachtbare, nee!! Ik heb altijd goed voor haar gezorgd, dat heb ik haar beloofd!!” “En hoe verklaard u dit dam?” Hij zag hoe zijn vrouw, met bebloed hoofd de zaal werd binnengeleid. Een politieman pakte haar arm en wees hem aan. “Daar, daar zit hij!! Hij heeft het gedaan!”, gilde de agent met een hoog stemmetje. Zijn vrouw had holle ogen en huilde tranen van bloed. “Heeft hij het gedaan?”, brulde de rechter. “Ja meneer, hij. Hij heeft het gedaan, hij heeft het gedaan”, zijn vrouw prevelde de woorden, als was het een gebed.
“Hij heeft het gedaan. Jij hebt het gedaan.”

“Ik heb niks gedaan!!”, brulde hij en opende zijn ogen.
Hij zat rechtop in bed en transpireerde hevig.
Het was drie uur ‘s nachts.
Zo ging het al dagen.

“Ik heb een fout gemaakt”, had hij de agenten verteld. “Ik had het niet moeten doen, ik weet het. Maar wat moest ik dan? Ik wist niets anders meneer, wat kon ik doen? Ze wilde weg, en dat kan niet meneer. Dat kan gewoon niet. Dan kan ze de weg niet meer vinden meneer, geloof mij. Heus, ik zal het nooit meer doen, ik had haar niet vast moeten binden. Ik weet het. En ik zal het nooit meer doen meneer, nooit meer! Ik wilde alleen maar voor haar zorgen, dat heb ik haar beloofd!”
Hij had gesmeekt, gehuild, gevloekt, gedreigd en gevochten.
Maar het hielp niets. Ze hadden zijn vrouw meegenomen, ‘afgestolen’, zoals hij het noemde.
Nu kon hij niet voor haar zorgen. Hij wist niet eens waar ze nu was.
“Ik heb het haar beloofd”, zei hij nogmaals en liet zich weer terugvallen op het bed.
Slapen deed hij niet meer die nacht. Zijn opengesperde ogen keken angstig naar de stilte tot het licht werd en de nieuwe dag zich aandiende.