Een jaar geleden was ze ineens weg. Het schuurtje, het rijtje heesters en de betegelde plaats lagen er nog, maar het stoere skûtsje was weg. Haar bewoners, Piet en Diny, een ouder echtpaar waren er ook niet meer.
Weggevaren. Voor altijd vertrokken richting warmere oorden. Via rivieren en kanalen vertrokken naar een mooie plek ergens in Frankrijk. Zo fantaseerde ik.
Ergens was ik ook wel bang dat een van beide was overleden, maar ik vond Frankrijk veel leuker.

Vandaag liep ik langs de Trekvaart en precies op de plek waar hun schip al die jaren had gelegen kwam ik hen weer tegen. Op mijn vraag waar hun schip was, vertelde Piet:
“Er is geen plaats meer voor ons soort mensen jongen. We moesten daar weg. Ambtenaren hè. Ik heb gekozen voor Dientje en mij. We zijn oud, en ziek. Zie je die bomen? Duizend keer heb ik gevraagd of er wat in gekapt kon worden. Populieren. Als ze zomers vol blad zitten en het waait een keer dan ligt het schip vol. Kostte de laatste zomer 3 ramen. En ik kan het niet meer opbrengen, want ik moet alles zelf doen. Geen pensioen, altijd wilde vaart gevaren. Als schipper. Ik viel op zo’n grote boot door een luik naar beneden. Nek kapot, rug stuk. Operaties. Afgekeurd. De boot ligt in de verkoop. Al een jaar. Onverkoopbaar in deze tijd.
We zitten nu in zo’n seniorenwoninkje, ginder (hij wijst naar de overkant van het water).
Geen geld, en geen aanspraak op enige ondersteuning. “U heeft bezit”, zegt zo’n tyfusambtenaar mij dan. Maar ‘onverkoopbaar’ heeft hij nog nooit van gehoord.
We hebben samen 1100 euro per maand. Nou, dan hoef ik het jou verder niet uit te leggen denk ik. Dan heb je dus gewoon niets te besteden. Tyfuslijders!”

Terwijl Piet een sjekkie draait vult Diny de stilte: “Je moet niet zo schelden Piet.” En daarna:”Ik sta al een jaar iedere morgen op met het gevoel dat het een hele lange logeerpartij is. Maar ja, sinds een tijdje slaap ik in ieder geval weer. Vroeger was het mooi hoor, als ze uit het water moest. Op de helling. Machtig vonden we dat. maar, het mag niet meer. Nu moet ze in een dok. Weet je wat dat kost? 3800 Euro! 3800!! Dat kunnen wij toch niet opbrengen? Alles voor de rijke mensen, en wij kunnen de groeten krijgen.”

Piet: “Weet je wat het ergste is jongen? Ik heb altijd als schipper gevaren en dit schip is wat we er aan over hebben gehouden. Nu is het een straf geworden. Het kost alleen maar en ik kan haar ook niet onderhouden nu. Ze gaat van mij af. En hard. Geef me dan vergunning voor een woonark, maar dat mocht ook niet. Er moest hier van alles veranderen. En? Zie jij al wat gebeuren? Alles ligt er nog precies zo bij als de dag dat ik het achterliet.
Tering tyfus ambtenaren!
Die boot is van 1910, en he-le-maal gaaf en origineel. En let op mijn woorden! Over een tijdje kom ik haar weer tegen. Dan heeft zo’n meneer met centen mijn mooie skûtsje gekocht en verkloot. Ze geven niks om het erfgoed, maar alles voor de centen.
Maar ja. Het is niet anders. Gelukkig hebben we elkaar nog.”

Ik neem afscheid en loop richting Burgwerd.
Aangegrepen.