Voetbal.
Nederland is niet alleen het land met 17 miljoen bondscoaches.
Nederland telt ook net zo veel scheidsrechters, lijnrechters, spelverdelers, keepers, trainers, verzorgers, mentale coaches en niet te vergeten voetbalverslaggevers, commentatoren en televisie persoonlijkheden.
We weten in Nederland allemaal alles beter. Verreweg de meesten weten het overigens het beste vanaf de bank, het liefst met chips en bier. Maar dat terzijde.

Slechts een klein deel – maar nog altijd een hele grote groep mensen – probeert zijn of haar betrokkenheid bij het spelletje iedere week praktisch in te vullen door vrijwillig als coach op te treden bij de pupillen.
En al mag je als gemiddelde f-coach blij zijn dat alle 7 spelers het doel van de tegenstander uitkiezen om te scoren, en al telt bij de e-pupillen buitenspel nog niet en ook al vind je het als d-coach eigenlijk helemaal niet zo gek dat je ofwel met 14-0 verliest, ofwel met 9-0 wint; alle coaches denken aan kampioensbekers. Alles coaches maken opstellingen. Alle coaches zoeken naar wegen om de sterkste krachten binnen het team ‘uit te nutten’ en eventuele zwaktes zo veel mogelijk te bedekken.
Alle coaches willen winnen. Alle coaches zijn dromers.
Net als alle voetballers.

Een bestaan als coach van pupillen is zwaar. De meeste voetballertjes snappen nog lang niet alles. Het ontbreekt spelers nog aan ervaring, vaardigheden en inzicht. Een team is vaak niet meer dan een verzameling enthousiastelingen met één of twee talentjes. Tactiek, ach. De meeste van de spelers kennen de betekenis nog niet, weten nog niet hoe je het woord moet schrijven. Laat staan dat zij het als team, in een wedstrijd en tegen een specifieke tegenstander kunnen inzetten.
Wanneer je naar een gemiddelde pupillenwedstrijd kijkt dan kun je als voetballiefhebber af en toe hele mooie dingen zien. Prachtige bewegingen, mooi uitgevoerde tackles en heel erg netjes opgezette aanvallen. Echter, verreweg het meeste van wat de pupillen willen mislukt jammerlijk. De bal waait hopeloos de verkeerde kant op, dat schot op doel komt niet. En als dat schot komt dan gaat de bal huizenhoog over. Of dat schot is niet meer dan een lullig rollertje richting de goal waar de keeper vervolgens enthousiast overheen duikt.
En de coach? De coach doet zijn best.

‘Gaat van die goal af!!’, roept hij gedreven. ‘Er zijn teveel mensen voor de bah-hal!!’, brult de denkbeeldige leeuw. ‘Bewegen!!!’, ‘Je moet instappen!!’, ‘Neem die man nou van elkaar over!!’, ‘DER-UI-HUIT!!!!’, ‘Hou het nou breed jongens!’, ‘Maak dat veld eens groter!’, ‘Meer diepte, speel nou es met meer diepte!!’
‘WAT HEB IK NOU GEZE-HE-GD?!!!’
De meeste pupillen hebben trouwens helemaal géén idee wat de coach heeft gezegd.
Wie denkt dat de hersenen van een pupil al zover ontwikkeld zijn dat hij èn op de bal kan letten, èn de tegenstander in de gaten kan houden, èn zijn positie bewaakt èn naar zijn moeder kan zwaaien die langs de kant staat èn daarnaast de aanwijzingen van een coach kan horen, kan begrijpen en kan opvolgen heeft het gruwelijk mis.
Dat kunnen pupillen – een enkeling daargelaten – nog helemaal niet.
Wat pupillen wel kunnen, en ook doen, is dromen.

En die ene opmerking, dat ene compliment, die ene toejuiching, die ene aanmoediging.
Het kan zomaar het verschil maken tussen een hele mooie, of een vervelende droom.
Onze jongensdromen zijn wel voorbij. Wij werden geen profvoetballer, bondscoach of hoofdtrainer. De meeste van de huidige pupillen zullen die dromen ook niet werkelijkheid zien worden.
Daar kunnen wij niets aan doen, dat kunnen wij niet geven.
Hun dromen, die kunnen wij hen gunnen.
Een lachende coach, een bemoedigende coach en een stimulerende coach helpt daarbij.

(Eerder gepubliceerd in het clubblad van Jeugd Voetbal Bolsward)
[suffusion-widgets id=’5′]