En ineens is er niets.
Geen geluid, geen licht, geen lucht. Niets.
Niets dat nog moet, niets dat nog enig belang heeft. Niets waar nog rekening mee gehouden moet worden. Niets dat aandacht vraagt. Niets dat nog angst inboezemt.
Er is niets te wensen of te halen in het niets. Zelfs geen adem.
Geen grenzen tussen mijn en zijn. Geen lichaam, zelfs geen hart.
Niets klopt, want in het niets klopt alles.

Ineens heeft hij toegang tot alles. Omdat er niets meer is dat hem nog beperkt.
Geen IQ, geen opvoeding, geen context, geen trauma’s, geen falen, geen succes, geen relaties. Geen god en geen ongeloof. Geen herinneringen en geen vooruitzichten.
Geen begrenzing in tijd, geen begrenzing in ruimte.
In het niets ben je op ieder moment nergens.

Het zien van de onbeschrijfelijke irrelevantie van honderd miljoen jaar en het begrijpen van het belang van iedere seconde die ooit voorbij gegaan is. Het overvalt hem niet, het verbaast of verbijstert hem niet.
Het is allemaal volkomen logisch.
Het is niets, en dat is alles.

“Waar denk je aan?”
“Wat?”
“Ik vraag waar je aan denkt.”
“Oh, niets.”
“Ja, ja.”
“Echt!”
[suffusion-widgets id=’2′].