Het was zwoel. De lome windstille warmte van een zomeravond hing als een deken over de stad. De lucht was helder, het was licht maar de zon was niet te zien. Aan de horizon dreven even langzaam als onvermijdelijk, de donkere onweerswolken vanuit de zee in de richting van de stad.
Er was een strikte scheiding te zien tussen een heldere dag die bijna voorbij was en een nacht vol donder, bliksem en regen die ging komen. Die scheiding liep niet parallel met de kustlijn, maar trok schuin over het land.

Het was alsof na een dag van groeiende beloftes heel langzaam de gordijnen werden gesloten. Het schiep verwachtingen. Als de gordijnen helemaal gesloten waren dan zouden alle spanningen, de zwoele verleidingen en de zucht naar avontuur, gegroeid in de zomerse hitte loskomen.
Een inktzwarte lucht die langzaam nadert als voorbode van heftige ontladingen.
Straks, als de eerste regendruppels komen dan zullen deze sissend uit elkaar spatten op de hete huid van de gewezen dag.
Ze wist het zeker.

Ze stapte uit bad, droogde zich niet maar sloeg een groot badlaken om haar lijf. Op de rand van het bed ontkurkte zij met een glimlach de gekoelde fles witte wijn.
Ze haalde diep adem, pakte de fles en de twee hoge glazen en stond op.
Voor zij de keycard uit het slotje trok liet zij het badlaken op de vloer vallen, stapte er over heen en hoorde hoe de deur achter zich in het slot viel.
Daarna stak ze schuin de gang over. Zonder schaamte, zonder gêne en zonder kleding.
Bij kamer 143 klopte zij aan.