Ook dit jaar werd 4 mei voor mij ruw verstoord.
In de eerste plaats was er het aandacht-zuigende gehijg van de media over het uitblijven van een nieuwe ‘damschreeuwer’. Ik hoorde op het (kort na) achtuurjournaal een NOS verslaggeefster verzuchtten dat ‘de twee minuten stilte van dit jaar toch anders waren’. Dat wil ik best geloven als je op een schreeuw staat te wachten.
Wanneer het uitblijven van een incident nieuws wordt, dan heeft iemand de definitie van een incident niet helemaal goed begrepen.

We waren ook helemaal klaargestoomd voor, en voorbereid op een nieuwe damschreeuwer. Ontelbare bewakers. Massa’s politieagenten. Nieuwe, betere hekken. Strenge controles. Mannetjes met oortjes die naar jou keken of jij je niet vreemd gedroeg. Bizar veel aandacht voor de maatregelen om een nieuw incident te voorkomen. Een oproep bijna aan iedere gestoorde geest die de geschiedenisboekjes wil halen.
Kom. Naar. De. Dam!!

Dan was er nog die andere schreeuw. De schreeuw om de foto van een door zijn hoofd geschoten Bin Laden. Ter omlijsting van die schreeuw zag ik in nieuws- en actualiteitenprogramma’s animaties van de overval op de villa waar Bin Laden zich schuilhield. Maar ook de de arrestatie, het proces en ophanging van Saddam Hoessein. Daarna het proces en de executie van de Roemeense dictator Nicolae Ceauşescu en zijn vrouw. Er werd uitgebreid stilgestaan bij de zegeningen die die beelden wel of niet hebben gebracht voor het volk en de wereld.
De nabestaanden willen gerechtigheid, of wraak. De wereld wil bewijs, of een martelaar.

Het treurige is natuurlijk dat er wereldwijd wordt opgeroepen om foto’s vrij te geven van een dode man die vreselijk is verminkt door kogels die in zijn gezicht zijn geschoten.
We willen bloed zien.

Nog altijd leeft het idee dat je vrede bereikt wanneer je vijanden doodt.