– Goedemiddag meneer, zal ik uw jas even aanpakken?
– Mijn jas afpakken? Hahaha, jongedame toch. Foei. Haha.
– Ik bedoel om hem even op te hangen. Voor u.
– Ohhh.. Hahaha.
– Kijkt u eens, de kaart. Vast iets drinken?
– Vast wel juffrouw. Hahaha.
– En, wat zal het zijn voor meneer?
– Doet u mij maar een lekker borreltje juf. Haha. Het is tenslotte al na vieren.
– Ehh, het is twee uur meneer.
– Ja, hahahaha, ik bedoel vier uur ‘s ochtends. Hahaha.
– Ohh.
– Zeg, juffrouw, wat denkt u. Is vandaag ‘de dag’?
– De dag?
– Ja, voor de soep?
– Het is een prima dag voor soep meneer.
– Nee, omdat er staat: ‘soep van de dag‘. Hahaha.
– Het is een prima soepje meneer.
– En, die soep van de dag, van vandaag zeg maar, is die van gisteren?
– Pardon?
– Is de soep van gisteren?
– Nee, die is van vandaag meneer.
– Ohh, jammer. Hahaha.
– Is die soep dan misschien van morgen?
– Ehh…?
– Van morgen, de soep van vandaag, is die van morgen?
– Nee meneer, morgen hebben we weer andere soep.
– Maar, als deze soep, de soep van vandaag, als ik die nou morgen zou eten?
– Ja?
– Dan was die soep dus van gisteren. Toch? Hahaha.
– Ehh. Jaahh, dat zou je zo kunnen zien ja.
– Doe mij dan maar soep van gisteren, maar dan niet morgen, maar vandaag! Hahaha!!
– Eén soep voor meneer. Komt in orde. Anders nog iets?
– Nee hoor juf, anders niets. Hahaha.
– Goed meneer.
– Moet kunnen hè?
– Wat meneer?
– Een beetje lol hebben. Beetje lachen. Beetje humor. Hahaha.
– Ja, het moet kunnen meneer.
**