Date12 januari 2011

De Vereniging Nederland

‘Worden veel problemen nu veroorzaakt omdat de overheid geen verantwoordelijkheid neemt of moet de burger zich eens wat verantwoordelijker opstellen?’

Het is een vraag die mij al tijden bezighoudt. Probleem daarbij is dat zo’n vraag veel te veel omvat. Deze vraag raakt aan alles. Kwaliteit van onderwijs, het milieu, integratie, ik bedoel: waar kun je deze vraag niet op toepassen?
De overheid wil graag burgers op hun ‘verantwoordelijkheden’ wijzen, burgers zeggen dat de overheid ‘haar werk’ moet doen.
Mij helpt het soms om hele grote vraagstukken kleiner te maken. Te vergelijken met iets anders, iets wat ik kan overzien en bevatten.
Vandaar dat ik hier de vrijheid neem om de BV Nederland te vergelijken met een kleinstedelijke voetbalvereniging met 500 leden.

Die 500 leden zijn allemaal vrijwillige lid. Zij hebben er allemaal voor gekozen om een verbinding aan te gaan met de club. Dat hebben zij voor op burgers van een land. Ik bedoel; lid worden is een keuze, als burger word je geboren.

Een vereniging ‘is’ van de leden. De leden betalen een financiële bijdrage aan de vereniging om de activiteiten mogelijk te maken. De leden bepalen, door middel van overleg en stemmen, het beleid van de vereniging. Een aantal gekozen leden zorgen er voor dat beleid wordt ontwikkeld en dat de vereniging wordt bestuurd en dat de activiteiten worden georganiseerd. Het bestuur wordt gecontroleerd door de leden. Doen de bestuursleden niet wat is afgesproken of in beleidsplannen is vastgelegd, of zij maken er een bende van, dan sturen de leden het bestuur naar huis, of kiezen bij eerste gelegenheid nieuwe bestuursleden die wel doen wat zij moeten doen. Nou ja, waarvan de leden verwachten dat zij wel doen wat zij moeten doen.
Het is net een heel piepklein landje met een mini-regering, zo’n vereniging.
Alle enorme problemen die zich in een land afspelen, kom je ook, zei het in het piepklein tegen in een vereniging.

Kijk bijvoorbeeld eens naar het kiezen en besturen. Van de 500 leden van deze voetbalvereniging komen er nog geen 25 op de jaarlijkse ledenvergadering. Het kost enorme inspanningen om mensen te interesseren een rol te spelen in het besturen van de vereniging. Niet meer dan 20% van alle leden is bereid om een actieve rol in de vereniging te spelen, niet in een bestuurlijke rol, maar bijvoorbeeld om de jeugd te begeleiden, te coachen, te rijden naar uitwedstrijden, een was te draaien. Van die dingen.
Mijn conclusie is dat de meeste leden van de voetbalvereniging wel de VOORDELEN van het lidmaatschap van de vereniging wil, namelijk het in vereniging kunnen uitoefenen van hun (team!)sport, maar slechts weinigen bereid zijn om EEN INSPANNING te leveren die de vereniging helpt die activiteiten te verwezenlijken.
Herkent u dat ook?

Overigens kan ik u als ervaringsdeskundige vertellen dat ook in de vereniging geldt dat niet het beste plan tot beleid wordt verheven, maar het plan van hij/zij met de meeste sympathisanten of aan financiële bijdragen gelieerde macht.
Of; simpelweg wordt het plan van degene die zich het beste schriftelijk en mondeling weet uit te drukken omhelst. Het staat er zo mooi, het zal dus wel goed zijn. Of; er is zo veel energie ingestopt. Of; tja, hij werkt bij een notariskantoor, dus hij zal het wel weten!
Daarbij is het gemiddelde lid niet kritisch. Slechts weinige leden lezen überhaupt beleidsvoorstellen of beleidsplannen. De kritische geesten die er zijn worden vrij gemakkelijk weggedrukt. Het zijn eenlingen, die wanneer zij te vaak de vraag herhalen omdat zij wel een response, maar geen antwoord op hun vragen krijgen, door de anderen tot zwijgen worden gebracht.
‘Doe jij eens niet zo moeilijk!’

In de regel weten de individuele leden weinig van beleid want het interesseert hen nauwelijks. De leden wensen zich ook niet aan beleid te houden. Over het algemeen wordt daar nogal neerbuigend over gedaan. ‘Wat hebben ‘ze’ nou weer bedacht?’ en ‘Ach, hebben ‘ze’ weer es vergaderd?’ hoor je op het veld.
‘Ze’ snappen de praktijk niet, is er ook zo eentje.
De leden van de vereniging leveren dus nauwelijks een bijdrage aan de ontwikkeling van beleid, maar pretenderen daarentegen wel te weten hoe de vereniging de activiteiten het beste in kan richten en gaan dus, waar zij de kans krijgen, hun eigen gang. Volgens eigen regels.
Komt u dat ook bekend voor?

Maar wat nu wanneer het gedrag van de individuele leden, die zich niets gelegen laten aan de afspraken die zijn gemaakt, de uitvoering van de sport begint te frustreren?
Dan gaan de leden klagen. En nee, de leden gaan niet de leden die de overlast bezorgen aanspreken. En nee, er wordt niet met elkaar overlegt. En nee, er worden geen oplossingen bedacht. Er wordt geklaagd.
Bij het bestuur van de vereniging.
De vraag die indringend gesteld gaat worden is: ‘Zeg, bestuur, wat gaan JULLIE doen om dit probleem op te lossen? Want JULLIE zijn het bestuur. JULLIE moeten maatregelen nemen. Het is JULLIE verantwoordelijkheid.’

Wat ik hier beschrijf is geen aanname of interpretatie, het is ervaring. Dit weet ik. Hoe dat op landelijk niveau werkt weet ik uiteraard helemaal niet, daar is de vraag te groot, en ben ik te klein voor.

Maar, zegt u er eens iets van.
Is het het beeld dat je krijgt wanneer je in dit stukje ‘vereniging’ vervangt door ‘de maatschappij’ en de ‘leden’ door ‘burgers’ erg ver van de realiteit verwijderd?

Jeroen Krabbé bekent: ‘Ja!! Het Is Mijn Schuld!’

– Met het ANP goedemiddag.
– Fuck You!
– Pardon, met wie spreek ik?
– Met mij, en het kan me geen ene moer schelen!
– Ehh, pardon. Ik begrijp u niet.
– Ah, kijk. Daar komt al een deel van de aap uit de mouw. Meneer begrijpt het niet!
– Sorry hoor, ik weet niet met wie ik spreek en waarover u het heeft.
– U kent mij niet zegt u?
– Nee, niet dat ik weet.
– En als ik u zeg dat mijn naam Jeroen Krabbé is? Kent u mij dan?
– Ja, als u Jeroen Krabbé bent dan weet ik wel wie u bent.
– Precies!! I rest my case!
– Eh, ik geloof werkelijk niet dat ik u begrijp.
– Luister, vrind, het gaat er om dat ik het allemaal wel best vind. De, volgens mijn goede vrind Bernhard von Lippe-Biesterfeld, kleinzielige Hollandse geest heeft het blijkbaar nodig, en ik vind het prima. Het volk heeft een schuldige, een zondebok nodig. Iemand de schuld geven is is een equivalent van ‘jaloers zijn op’. Je geeft bij voorkeur aan iemand de schuld die je benijdt. Die je afgunstig bent. En, het moet gezegd, men is mij afgunstig. Dat ben ik gewoon geworden. En, dat mag ook gezegd, ik ben er gewoon onder gebleven. Ik ben blank, succesvol en hetero. Succesvol hetero!! Ik lig zogezegd erg goed bij de vrouwtjes. Ik doop mijn kwast nog dagelijks in de thinner! Zonder blauwe pillen meneer!
– Maar, meneer Krabbé, waar krijgt u dan de schuld van? En, wie geeft u de schuld?
– U stelt mij twee vragen, u krijgt drie antwoorden. 1: Ik krijg, binnen een week na nu, overal de schuld van. 2: Iedereen. Iedereen geeft mij overal de schuld van. 3: Nee. Het doet mij niets! Het lag allemaal al vast. John F. heeft mij destijds nog gewaarschuwd, toen ik hem wat bijscholing in het houden van redevoeringen gaf.
– John F.?
– Ja, John F.! Echtgenoot van Jackie. Broer van Edward. Opponent van Fidel. Luister. Ik ben geen arrogante, op zichzelf geilende zelfbevlekker. Dat weet ik, dat wist Juul, dat weet Bea en dat weet Willem. En daar gaat het om meneer! Dat je echte vrienden, ik noem een Joost, een Jan-Peter, een JC, een Silvio, een Margret, een Mahatma weten wie je bent, je respecteren, je de eer en de bejegening geven die je verdient. En dat het volk je dan afgunstig is en vervolgens overal de schuld van gaan geven, dat hoort er bij. Om met mijn goede vrind Jan-Peter te spreken: ik werpe dat verre van mij.
– Maar, meneer Krabbé. Waarom, precies, belt u nu naar het ANP?
– O ja, sorry. ik liet mij even gaan. Het gaat om het volgende. Is mijn telefoonnummer jullie nog wel bekend?
– Uw telefoonnummer?
– Ja, kijk ik had vorige week geen beltegoed, toen Coen ging. Ik had een mooie anekdote klaar, ik dacht, u belt wel. Maar u heeft niet gebeld. Dus ik dacht, ik zal voor de zekerheid mijn nummer nog even doorbellen.

[U kunt nog tot donderdag 12.00 uur stemmen om Jeroen Krabbé door de eerste verkiezingsronde heen te helpen!!]

Whitesnake, Slip of the Tounge (1989)

Van Joe Jackson naar Whitesnake? Yep. Maar, alleen het Whitesnake van het album Slip of the Tounge, want op dat album wordt de gitaar beroerd door Steve Vai.
Steve Vai speelde ook gitaar op het album Symphony No. 1 van Joe Jackson. Joe Jackson had namelijk een gitaarsolo geschreven die volgens insiders ‘niet uitvoerbaar’ zou zijn. Dat vond Steve Vai dan wel weer een uitdaging.

Steve Vai speelde een jaartje bij Whitesnake om dat onze eigen Adje Van den Berg aan overspannen handjes leed. Het was een topjaar voor Whitesnake.

U kunt het album Slip of the Tounge hier beluisteren op Spotify.

© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑