De laatste tijd zit hij vaak in mijn hoofd, speel ik zijn liedjes op gitaar en luister ik naar – kwalitatief vaak belabberde – Youtube fragmenten met zijn muziek.
Een grote, bebaarde kerel. Een innemer.

De grootste Nederlandstalige liedjesschrijver is voor mij zonder twijfel Lennaert Nijgh. Die man heeft zulke monumentale nummers geschreven, daar kan niemand aan voorbij.
Ook een innemer overigens, Lennaert. Ik zat wel eens naast hem in de kroeg in Haarlem. Geen zinnig woord kwam er uit, zo dronken was hij. Het weerhield hem er niet van een paar dagen later weer een prachtig stuk te publiceren in het Haarlems Dagblad, over de geschiedenis van Haarlem.

Maar ik dwaal af, de Lennaert Nijgh is niet de innemer wiens liedjes de laatste dagen door mijn hoofd zwerven.
Dat is Cornelis Vreeswijk.

Cornelis Vreeswijk (1937-1987), geboren in IJmuiden. Op 12-jarige leeftijd geëmigreerd naar Zweden. daar kies je niet voor als je 12 bent.
Mijn moeder zei ooit over Vreeswijk: ‘Ja, best leuk hoor, maar om dan te vluchten naar Zweden als het je hier te moeilijk wordt.’
Onbegrip. Hoort wel een beetje bij de man.
(Klik hier voor het Cornelis Vreeswijk genootschap)

Drank, vrouwen, geld en problemen met drank, vrouwen en geld.
Dat is een beetje het leven van Vreeswijk voor wie alleen die informatie over de man wil horen of lezen.

Voor mij is het een man van werkelijk schitterende liedjes.
En dan niet alleen ‘De nozem en de non’ en ‘Veronica’.
Nee, u zou eens naar zijn laatste Nederlandstalige CD moeten luisteren ‘Ballades van een gewapende bedelaar’.
Wat denkt u van een frase als:

Als de rozenmorgen stijgt
over hemelmora hoog
dan wordt een dode uit het dorp weggehaald
Door de heide en de bloemen
gaat een stille hemeltoog
terwijl de maan in de hemel is verdwaald
(Uit De laatste tocht van een speelman)

‘Teddybeer’, staat er boven dit stukje.
Het is de titel van een ander liedje van Vreeswijk. Een liedje met humor en vilein.
Luistert u zelf.