Op 30 november, alweer 14 dagen geleden, rookte ik mijn laatste sigaret, nou ja, sjekkie eigenlijk. Mijn laatste Zware Brandaris. Ik rookte een pakkie of 3 per week, en dat al een jaar of 35. Die eerste 3 jaar zal ik minder gerookt hebben, en toen was het nog halfzware shag, of sigaretten.

Ik kan nog steeds zeggen dat het mij heel erg meevalt.
Ik begin ook meer te begrijpen waarom het meevalt. Er wordt bijna niet meer gerookt op televisie, er zijn nog maar weinig mensen om mij heen die roken, in een restaurants, de kroeg of de kantine is het verboden. Thuis, dus binnen, rookte ik al niet, in de auto ook niet (nou ja, bijna niet).
Anders gezegd: ik word er maar heel weinig mee geconfronteerd.

Ik heb wel de trek in een sigaret, maar ik heb binnen, in de auto of waar ik ook maar ben, nergens meer een beeld dat mij herinnerd aan roken. Behalve dan wanneer ik buiten ben, want daar rookte ik altijd.
Bij eerdere pogingen – de laatste serieuze is alweer een jaar of 15 geleden – werd nog overal, door iedereen en op alle tijdstippen nog volop gerookt.
De kroeg was roken, een restaurant was roken, de trein, de auto, in huis, de slaapkamer: overal werd gerookt.
Snapt u?

Ik zie nu meer nut bij alle rook-verboden en rook-ontmoediging.
Daar was ik altijd al voor, maar meer omdat ik vond dat anderen geen last hoefden te hebben van mijn smerige gewoonte.
Maar ik merk nu pas hoe zeer dit beleid helpt wanneer je zelf van die gewoonte af wil komen.
Het maakt het allemaal een stuk gemakkelijker.