Mijn vader en ik kennen elkaar niet zo goed. We kennen elkaar al wel heel lang, maar dat is iets anders. Het beeld dat ik van mijn vader heb is ook niet stabiel. Het verandert.
Ik zal mijn vader, zoals ieder kind, gezien hebben als held, vroeger.
Mijn vader is lange tijd ‘die man die af en toe het vlees kwam snijden’ geweest.
Hij was veel voor langere tijd weg.
Als marineman. Veertien maanden naar de Oost, acht maanden naar de West, vijf maanden naar zus, drie maanden naar zo.
Ik heb mij wel afgevraagd of de marine nu zo onmenselijk was, of dat mijn vader zich er vrijwillig voor inschreef.

Als puber haatte ik mijn vader.
Hij was streng, ongeduldig en enorm zwart – wit. Ik heb altijd het gevoel gehad dat wij hem als gezin maar in de weg zaten.
‘Ga uit mijn stoel’, klonk het als hij binnenkwam.
Een afwezige vader die, wanneer hij er dan een keer wel was, direct respect, gezag en zijn plaats opeiste.
Ik kan mij niet herinneren hem ooit ‘gelukkig’ te hebben gezien.
Respect verdiende je niet, respect dwong je af.
Respect geregeld door rangen en standen.
Ik ben marineman, dus ik stem VVD.
Dat was ongeveer de politieke discussie en mijn politieke opvoeding.

Toen ik zelf eenmaal volwassen was veranderde het beeld dat ik van mijn vader had opnieuw. Hij werd voor mij meer een slachtoffer van zijn eigen keuzes en een slachtoffer van zijn tijd.
Mijn vader en moeder hadden uit elkaar moeten gaan, ze maakten elkaar ongelukkig. Maar dat deden ze niet, dat hoorde niet. Zij hadden kinderen en bleven bij elkaar ‘voor de kinderen’.
Dat het meer uitpakte als een keuze tegen de kinderen heeft hij nooit willen toegeven.

Mijn vader is toch samen met mijn moeder oud geworden.
En, volgens mij hebben zij het wel goed samen.
Niet gelukkig, meer tevreden.

Mijn vader is een trotse man.
Trots dat hij als armoede kind uit Glanerbrug – die niet mocht doorleren maar wel de hersenen had – als zestien jarige jongen voor de marine tekende en van matroos opklom tot het hoogst haalbare voor een marineman zonder officiersopleiding: sergeant majoor.
Trots dat hij als verpleger van de marine welhaast als een arts heeft geacteerd in de Nederlandse koloniën.
Trots dat hij op latere leeftijd alsnog zijn diploma verpleegkunde wist te halen.
Trots dat hij als voorzitter van de voetbalvereniging met zijn club promoveerde.
Trots dat hij werd geselecteerd om te zingen in het koor van het concert gebouw orkest.

Mijn vader is een gekrenkt man.
Gekrenkt omdat zijn eerstgeborene zwakbegaafd bleek te zijn. Gekrenkt omdat zijn tweede zoon wel de hersenen en de mogelijkheden had om door te leren, maar het gewoon verdomde.
Gekrenkt omdat zijn derde zoon heel vroeg aan de drank ging en er nooit meer vanaf kwam.

Zoals ik het nu beleef is mijn vader een man die zijn krenkingen en zijn trots heeft afgedekt met een deken van berusting.
De wereld is klein geworden.
Het probleem van de buitenlanders is niet groter dan zijn eigen Marokkaanse buurman. Drugsproblematiek is de koffieshop hier in het dorp.
Sport is de wedstrijd zaterdag op het sportpark hier aan de overkant van de straat.
Uit eten doe je bij van der Valk.
Vakantie vier je in Spanje.

En nu ligt hij hier, aan de monitor.
Een jaar of vijftien ouder dan dat hij zelf ooit voor mogelijk had gehouden.
Mijn vader is oud. Mijn vader voelt zich ook oud.
Mijn vader spreekt afstandelijk, analytisch over zijn eigen probleem: dat zijn hart het begeeft.
In zijn ogen lees ik wat anders, ik zie dat hij bang is.

Als we elkaar beter zouden kennen zou ik nu zijn hand hebben gepakt.