Monthseptember 2010

Relativeren

Een ieder die mij een beetje heeft gevolgd weet het. Een jaar geleden, vandaag precies een jaar geleden zelfs, kreeg ik een probleempje aan mijn linkeroog. Er zat iets in mijn oog, dat was vies en ik liep een bacteriële infectie op.

De verantwoordelijke bacterie vrat in 3 dagen ruim een vierkante centimeter hoornvlies weg. Dat is niet alleen erg slecht voor je zicht, het is werkelijk een heel pijnlijk gebeuren. Bloot liggende zenuwen in je oog, geen bescherming meer tegen het licht. Heus, ik weet nu wat oogpijn kan betekenen.

Het duurde tot half januari van dit jaar voor ik weer voldoende licht kon verdragen om bijvoorbeeld achter een computerscherm te zitten, zonder zonnebril en pet buiten te lopen of auto te rijden.
Wat ik overhield was een bijna blind oog. Dat komt simpelweg omdat je door littekenweefsel niet kunt kijken. En aangezien het gat was dichtgegroeid met een littteken, en dat litteken voor mijn lens zat, afijn, u snap het wel.

Met 1 oog kijken is lastig. In de verte kun je nog wel diepte onderscheiden, maar dichtbij niet meer. Geen draad meer in een naald, geen geheugenbankje in een computer vervangen en bij het slaan van een spijker in de muur dien je vanaf de zijkant te bekijken hoe diep de spijker er in zit, anders sla je hem gewoon door de muur heen.
Een bijkomend en lastig verschijnsel is dat het overgebleven, goede oog, snel moe wordt.
Een krant lezen bij kunstlicht zit er niet meer in.

Op 9 september j.l. kreeg ik een nieuw hoornvlies. Iemand ging dood, had er toch niets meer aan en ik mocht het hoornvlies hebben. (Geweldig is dat toch, dat mensen onderdelen van zichzelf ter beschikking stellen voor anderen na hun dood. Moet u ook doen hoor, donor worden!)

Maar goed, ik liep dus redelijk nerveus het terrein van het UMC Groningen op. Onderweg naar een nieuwe kans. Niet bang voor de operatie, wel bang voor de eventuele napijn en de gedachte dat de operatie ook kon mislukken. Gespannen, zenuwachtig.
Een beetje alleen ook. Soms zou je best wel, al ben je bijna 50, willen dat er iemand is die even je handje vasthoudt. Iemand die zegt: ‘Het komt wel goed schatje’.
Tenminste, ik zou dat soms wel willen.

Met dit soort gedachten liep ik dus over dat hele grote ziekenhuis terrein. In beslag genomen door mijn eigen probleem, de operatie die ging komen en vechtend tegen de spoken die, altijd wanneer het spannend wordt, ineens opdoemen.

Plots zag ik een bekend gezicht. Een dorpsgenoot wandelde mijn kant op. Ik groette, hij groette.
‘Waarom jij hier?’, vroeg ik hem.
Hij vertelde op bezoek te gaan bij zijn 4-jarige zoontje die enkele dagen daarvoor een open hart operatie had ondergaan en wellicht snel weer naar huis mocht.
Vier jaar? Open hart operatie?
‘En jij?’, vroeg hij.

Kijk, dat helpt. Dat relativeert.
Fluitend ben ik de oogkliniek binnengegaan.
Met een gerust hart, zal ik maar zeggen.

Op het plaatje zie je trouwens hoe ze zo’n nieuw hoornvlies vasthechten.

Tzatziki

Tzatziki, een Grieks voorgerecht met yoghurt, komkommer en knoflook is simpel te maken. Toch lukt het veel mensen niet. Vaak ontstaat er een veel te natte, dunne pap.
Hier een recept dat wel goed gaat, en lekker is.

Was 2 komkommers, rasp de jongens (met schil!!) en gooi de drab in een vergiet.
Pak een flinke hand zout en meng die er doorheen. (Het zout onttrekt vocht aan de komkommer.)
Laat een tijdje -liefst een klein uurtje- staan.

Maak een teentje of 4 knoflook schoon, snijdt ze in stukjes.
Met de staafmixer (of keukenmachine) de teentjes fijnmalen samen met een scheut olijfolie (een eetlepel of 3, 4).

Spoel nu de komkommer goed schoon onder de kraan, was het meeste zout weg.
Druk de komkommer tegen de wand van het vergiet om nog een beetje meer vocht weg te persen. Gebruik anders een schoteltje om plat op de berg komkommer te leggen en aan te drukken.

Pak een grote kom en doe daar een liter Griekse yoghurt in.
Meng de komkommer er door.
Meng daarna onder voortdurend roeren nu de olijfolie met knoflook er door.
Opleuken kan nog met wat dille of wat rode peper voor de pit.
Zout hoef je als het goed is niet meer toe te voegen.
Zet de Tzatziki een uurtje koud.

Dien op in een schaaltje, garneer eventueel met een paar knoflook olijven.

(Geen Griekse yoghurt? Geen probleem. Neem volle Hollandse yoghurt. Doe, omdat deze yoghurt zuurder is, een eetlepel honing door de Tzatziki.)

Daarom haat ik de kerk meneer Mark van de Voorde!

In een column op rknieuws.net geeft Mark van de Voorde antwoord op de vraag waarom atheïsten de kerk en het geloof zo haten. Ik voel mij atheïst. En ik heb er een enorme hekel aan wanneer mensen mij gaan vertellen wat ik denk of voel. Of alle atheïsten over één en dezelfde kam scheren.
Vandaar mijn persoonlijke antwoord aan de heer van de Voorde.
En ja, dat moet hier, want op de website van RK Nieuws kun je dus geen reactie plaatsen.

In de eerste plaats is het een hele vervelende zet om het instituut kerk en het persoonlijke geloof van mensen in één adem te noemen met de door u gesuggereerde ‘haat van atheïsten’.
Ik ‘haat’ bijvoorbeeld geen gelovigen of het geloof. Ik vind het sowieso weinig constructief om mensen te haten om wat zij denken of geloven. Dat is ook weinig atheïstisch volgens mij.
Volgens mij bestaat er geen god. Dat is mijn atheïsme.
Ik haat god dus niet, want hij bestaat niet.
Ik haat mensen die wel in god geloven niet, ik deel simpelweg hun overtuiging niet.
Ik haat in de basis ook geen koffiedikkijkers, wichelroede lopers, tarot kaart leggers, kleuren analisten en sterrenkijkers. Wel vind ik het bedroevend wanneer deze zich verrijken via wanhopige mensen.
Ik eet vlees, maar ik haat geen vegetariërs. Gun mij m’n stukje vlees, dan bak ik voor jou wel wat Tofoe.
Ik stem meestal links, maar ik haat rechtse mensen niet. Zolang we kunnen discussiëren en er ruimte is voor elkaars argumenten; prima.
En ik geloof dus niet, maar ik haat gelovigen niet.
Gaat u op zondag fijn naar de kerk, ga ik een stukkie fietsen.

Waar ik wel heel afkerig van wordt en een hartgrondige hekel aan heb is aan mensen zoals u.
Hitler, Mao, Stalin en Pol Pot definiëren als ‘Atheïsten-aan-de-macht’. Gadverdamme! Hoe haalt u het in uw botte hoofd!! Atheïsten-aan-de-macht, met streepjes dus. Smalend, neerbuigend.

Nee, dan de kerk-aan-de-macht. Dat is werkelijk een lichtend voorbeeld, al honderden jaren lang. ‘Er zou geen verlichting zijn gekomen zonder christendom’, schrijft u.
Ik ben het met u eens!
Het zou ook zeker niet zo noodzakelijk zijn geweest.

Als het aan de kerk had gelegen, en er geen verlichting -als tegenbeweging, meneer van de Voorde, als tegenbeweging van het geïnstitutionaliseerde geloof- was geweest, dan hadden wij hier nog altijd in de religieuze middeleeuwen geleefd.

De slachtoffers van de terreur van goddeloze leiders als Stalin, Hitler, Pol Pot en Mao zijn welhaast ontelbaar.
Maar ik daag u uit de een schatting te maken van de slachtoffers van religieuze terreur.
Dat is wat ik zo haat aan uw kerk meneer van de Voorde.
Die enorme roomse boterberg op het hoofd!

Hondje

Als baby behoorde Peter van der Plas al tot het meubilair van café ‘Het Hoekje’ aan de Nieuwstraat van Beverwijk. De kinderwagen waarin hij lag stond in de hoek, naast de papegaaienkooi, ver van de tochtige deur waardoor van ‘s morgens acht tot ‘s avonds tien de klanten in en uit liepen.
Café Het Hoekje was zeven dagen per week open. De klandizie van Het Hoekje bestond uit notoire innemers: staalarbeiders die het na de nachtdienst op een zuipen zetten, gestrande zeelui die niets anders te doen hadden en doordrinkers die Het Hoekje als haven hadden na een nachtje stappen in Amsterdam.
Het Hoekje had geen terras, schonk alleen hele vieze koffie en meer dan een zak pinda’s kon je er als ontbijt of lunch niet kopen.

De wandelwagen waarin de kleine Peter lag werd een box. De box werd vervangen door een kinderstoel en nog later kreeg de kleine Peter een schoolbankje waaraan hij de dag doorbracht.
Uiteindelijk heeft Peter, eenmaal volgroeid, een kleine veertig jaar zittend aan het achterste tafeltje, naast de papegaaienkooi doorgebracht.
Peter zag in al die jaren steeds minder klanten komen en meer klanten gaan.
Tot het moment dat, het was de ochtend van 7 januari 1989, ook zijn moeder niet meer naar beneden kwam om de deur van het café te openen. Zij bleek dood te liggen in het appartement boven het café.
Zij was het hoekje om, zeg maar.

Een oud café kun je verkopen, het meubilair wegmieteren en een papegaai naar het asiel brengen.
Maar wat doe je met de 55-jarige achterlijke zoon van een dode café houdster?

Peter zat vanaf die tijd aan een tafeltje in een hoekje van de huiskamer van Onder de eikenboom.
Hij rookte daar zijn 50 tot 60 voorgedraaide sigaretjes per dag en keek naar de dingen die gebeurden. Of niet gebeurden. Peter had een kromme rug en dunne, een beetje enge beentjes. Enige lichaamsbeweging, zonlicht of buitenlucht had hij nauwelijks gekend.

‘Wat vind je van mijn hondje?’, was zijn vraag aan iedereen die langs zijn tafeltje ging.
En wee de gene die durfde te beweren dat de groezelige knuffel die Peter van der Plas met één hand zo heftig heen en weer zwaaide geen hondje, maar een konijntje was.

De Brug

Ooit geschreven op een terras op de Amsterdamse wallen, op de achterkant van een bierviltje.

De stad is leeg, de straten zijn als glas
Regen valt en de stilte kaatst haar pas
Bevangen door het scoren
En het bonzen in haar hoofd
Er is geen mens die haar wil horen
Zelfs geen hond die haar geloofd

En de brug loopt vol met hoeren
Zonder rust in het verschiet
Hoge heren, polderboeren
Ze nemen haar
Maar groeten doen ze niet

Ooit was zij dat kind
Spelend op de trap
Bruine boterhammen
En lachen om een grap
Het is een leven lang geleden
Voor die levenslange straf
In de armen van het leven
Dat haar nooit een leven gaf

En de brug loopt vol met hoeren
Zonder rust in het verschiet
Hoge heren, polderboeren
Ze nemen haar
Maar groeten doen ze niet
Nee
Haar groeten doen ze niet


© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑