15 mei 1995. Het was prachtig weer en feest. In Wijk aan Zee, naast de pier. Eco toilet, legertent, 100 kilo ijs, en veel, veel vers vlees en verse vis voor op de BBQ. O ja, en bier en wijn, dat was er ook voldoende.

De BBQ was overgegaan in een groot kampvuur. De zon zakte aan de horizon in het water. De hemel kleurde rood. Het vuur was heet en het bier was koud.
Jij dronk rode wijn.
Ik speelde gitaar en zong.

‘En de klok zegt tik, tik
tikt al mijn  uren weg.
Voor wie wacht
komt alles
steeds
te laat’

We keken elkaar aan en hadden geen haast meer, want we hadden elkaar gevonden. Al zeiden we dat toen nog niet.
De avond ging en de nacht kwam. Het strand werd afgestruind naar hout, het vuur moest branden want de nacht zou eeuwig duren.
Jouw hand langs mijn rug.
De wereld niet groter dan een kring van lachende gezichten in het flikkerende licht van een kampvuur.

‘Ik weet wat jij verlangt
Ik weet wat jij verdient
Voor wie wacht
komt alles
steeds
te laat’

Jouw hoofd, tegen mijn schouder. Een ieder die het zag.
Nou en.
De vlammen kleiner, het vuur steeds heter.
Nog meer wijn, nog meer bier. ‘Waar slaap jij?’ ‘Naast jou?’ ‘Natuurlijk.’
Natuurlijk.

‘Je blik gericht
op een plek
op mijn lichaam
het is alsof je zegt
doe iets
nu
hier
voor mij’

Het werd stil.
Eén tent voor iedereen.
Eén plekje in de hoek waar twee slaapzakken in elkaar verstrengeld lagen.
Twee gezichten heel dicht bij elkaar.
Verliefde fluisteringen.
‘Ik wil met jou wel avonturen beleven.’
Lange kus.

‘En doe het rigoureus en onverwacht
rigoureus en ondoordacht
rigoureus door dik en dun
rigoureus maar altijd uit het hart’

‘s Morgens samen wakker worden.
Sindsdien.
Altijd.
Gelukkig.