Het huis aan de Brakkeveldweg nummer 26 in Den Helder had een erker. Vanuit de erker keek je links naar het station, rechts naar ‘de tunnel’ aan het begin van de Vogelbuurt en voor het huis, aan de andere kant van de weg, liep het spoor.
Mijn opa stond graag in die erker. Met zijn handen op de vensterbank geleund kon je hem daar dagelijks vele uren vinden. Mijn opa stond altijd te hijgen. De mond open voor een lange, piepende adem teug en daarna de lippen in een fluitvorm teneinde de lucht enigszins gecontroleerd weer te laten ontsnappen.
Mijn opa had namelijk een ernstige vorm van astmatische bronchitis.

Mijn opa stond in de erker en foeterde tussen het hijgen door. Op de auto’s die te hard reden, op de hondenbezitter die zijn beest niet in de goot zette, op de trein die te laat was, zo maar in het algemeen, of op zijn buurman: Grootveld.

Overigens, mijn opa foeterde niet altijd. Lang niet altijd. wanneer mijn opa namelijk, naast al zijn medicamenten, een paar jonge dubbele graanjenevers op had (en ‘dubbele’ is hier de kwantiteit), dan werd hij clown. Letterlijk. Dan stond mijn opa met een fopneus in de erker. Of had hij een bloempot op zijn glimmende schedel. Of hij zette zijn bril op z’n kop. Wanneer mijn opa even niets kon vinden dan deed hij een oude marinepet op en schoot hij stram in de houding in de erker, iedere keer als er iemand langs liep.
Als mijn opa een borreltje op had dan durfde hij aan de hele wereld te laten zien dat hij er maling aan had.
Mijn opa ging dan staan wachten op zijn prooi. Heel rustig. Handen op de vensterbank. En wanneer er iemand langs liep, een oud vrouwtje uit de Vogelbuurt bijvoorbeeld, dan knikte mijn  opa vriendelijk, wachtte tot de vrouw weer voor zich keek, zette twee enorme oren op zijn hoofd, tikte dan keihard tegen het raam en, wanneer de arme vrouw verschrikt omkeek, deed mijn opa één hand achter zo’n enorm oor en trok een gezicht alsof hij uitschreeuwde: ‘WAT ZEGT U??’
Om zich vervolgens letterlijk de tranen te lachen, in een hoestbui te schieten en rochelend van ellende nog maar een borrel te nemen.

Maar ja, mijn oma was er meestal ook nog, en die kwam van Urk.
Dus, stond mijn opa ook vaak te foeteren in de erker.
Op buurman Grootveld.

Wat nu precies de oorzaak van de oorlog van mijn opa tegen Grootveld is geweest, ik weet het niet precies. Mijn opa reed vroeger munitie voor de marine en Grootveld was een soort bewaker van het marine complex. Het schijnt dat mijn opa in een ver verleden, in 1947 of zo, een keer gecontroleerd is door Grootveld en dat toen zijn oorlog begonnen is.
Persoonlijk denk ik dat mijn opa gewoon jaloers was op Grootveld, want die woonde met twee vrouwen! Zijn eigen vrouw, en de zuster van zijn vrouw. Maar goed, het doet er niet toe.
Mijn opa was in een soort van 80-jarige oorlog met zijn buurman Grootveld.

De Brakkeveldweg 26 had wel een achtertuin, maar er was vanaf de straat maar één manier om daar te komen; door de poort die gedeeld werd met nummer 24, het huis van Grootveld. De poort werd afgesloten met een zware, houten deur. Na de deur stond je in een prachtig gemetselde poort met een boog-plafond. Na de poort liep je langs de tuin van Grootveld (met een werkelijk fantastische perenboom) en daarna kwam je in de tuin van mijn opa.
Die poort hield de oorlog levend.
Zo hing Grootveld hout aan het plafond van de poort. Volgens mijn opa was de poort een brandgang, dus dat mocht niet.
De poort kon op slot. Dat deed Grootveld met regelmaat, bijvoorbeeld voor de nacht. Maar de poort was volgens mijn opa een brandgang, en dus mocht dat niet.
(Het is werkelijk jammer dat er toen nog geen rijdende rechter was. Mooie uitzending zou dat zijn geweest!)

Mijn opa en Grootveld; de oorlog.
Het was altijd weer een genot om mijn kleine, hijgende, ouwe opa helemaal door het lint te zien gaan over Grootveld. Want, hoe druk mijn opa zich ook maakte, het bleef bij schelden en tieren. De arme man kon geen deuk in een pakje boter slaan.
Wij, mijn broer en ik, wisten wel hoe je mijn opa moest voeren. Wanneer wij op zondag ‘naar opa en oma gingen’ dan wilden wij naar buiten. ‘Achterom!’, riep mijn opa dan. Dus pikten wij de sleutel van de poort (zo’n grote zwarte sleutel met een sierlijk handvat), deden hem van binnenuit op slot en gingen vervolgens klagen bij mijn opa.
Altijd raak.

Achteraf gezien bewezen mijn broer en ik mijn opa daarmee een dienst. De melding maakte mijn opa namelijk zo giftig dat mijn opa begon te vloeken. En hij kon heel mooi, humoristisch vloeken. Maar mijn oma kwam van Urk, dus gaf mijn oma mijn opa maar een paar borrels om hem daarmee te laten ophouden.
‘Arie!’, riep mijn oma eerst bestraffend.
‘Godverdommese klootzak!’, piepte mijn opa vanuit zijn erker.
‘Zal ik maar een borreltje inschenken?’, riep mijn oma wat paniekerig.
‘Ik maak hem dood godverdomme!!’, hijgde mijn opa terug.

Maar volgens mij begon hij dan al te grijnzen.