Date13 februari 2010

Zomerlust

Het was nog broeierig warm, al was de zon al een tijdje onder.
Op het strand drongen alleen de zware bassen van de live muziek uit ‘De Instuif’ door. De tocht door het droge mulle zand naar De Instuif was zwaar. Mul zand, achtergelaten gaten en weinig licht.

Het was druk. De band speelde opzwepende rock, er werd gedanst en er hing een dikke, warme deken van sigarettenrook, zweet en zonnebrand. Op zoek naar drank werkte hij zich door de menigte naar de bar. Tegen zijn verwachting in was er een kruk vrij. Hij wilde gaan zitten en zij, die op de kruk er naast zat, liet zich op dat moment achterwaarts van de kruk glijden. Wanneer het niet zo druk was geweest was hij zeker gevallen. Nu werd hij opgevangen door warme, bezwete lijven.
‘Sorry!’, riep zij boven de muziek uit. Hij knikte en bestelde een Tequila. ‘Van mij!’, riep de dame in de richting van de barman. Hij keek haar aan en zij lachte. Hij lachte terug. Ze was mooi. Lang, glanzend donker haar. Grote brutale ogen, iets te grote mond en volle borsten onder een wit hemdje.
Vanaf dat moment wilde hij haar.

‘Alleen hier?’, zei hij. Ze wees op de band: ‘De bassist!’. Hij maakte een polsgebaar om aan te geven dat hij haar wat te drinken wilde aanbieden. Ze lachte en wees op zijn glas. Hij bestelde twee Tequila’s. Ze proosten. Toen vroeg hij: ‘Zullen we naar buiten?’ Zij keek verbaasd, lachte en bracht haar hoofd dicht tegen zijn oor en snoof een keer alsof zij hem keurde en vroeg: ‘En waarom zou ik met jou naar buiten?’ ‘Omdat hier niet kan wat ik wil’, antwoordde hij. ‘En wat wil jij dan?’ Hij keek haar strak aan en zei: ‘Ik wil jou aflikken als een ijsje. Van je tenen tot je kruin. En daarna wil ik je nemen. In het zand. Zacht, en liefdevol. Omdat je zo mooi bent.’ Ze keek hem aan. ‘Ok’, was alles wat ze zei en liep naar de deur.

Binnen een half uur waren ze terug. Ze kwamen samen binnen, maar zij ging direct door naar de toiletten. Om even ‘op te frissen’ zei ze.
Hij liep naar de bar en bestelde twee bier. Eén voor hem en één voor de bassist. ‘Ach’, riep hij tegen de barman. ‘Doe de hele band maar een biertje van mij.’ Het bier werd naar de band gebracht. Er werd naar hem gewezen. De band proostte.
De bassist gaf hem een knipoog.
Hij stak lachend een duim omhoog.

Onder de Eikenboom VII [Komkommer, Godverdomme]

Henk van Woensel was een nare man. Al jaren. Misschien van Henk van Woensel altijd al een naar ventje geweest, maar dat was moeilijk te zeggen, want er was niemand die Henk van Woensel goed kende. Er was geen familie, geen vrienden en er kwam geen bezoek. Henk van Woensel was ook een eenzame man.

‘Auwww, godverdomme! Dat gaat pijn doen!’, was zo ongeveer de meest milde begroeting die Henk van Woensel een ieder die de zaal betrad toewierp. Iemand die zijn kamer betrad kwam daar niet zonder reden. Je ging niet voor je plezier naar Henk van Woensel. De verpleging, de fysiotherapie, de arts, de diëtiste, de laborant en de schoonmaker. Ieder in hun eigen ritme betraden zij de kamer van Henk van Woensel. En allemaal met een mate van tegenzin. Bij sommigen was weerzin een beter woord.
Daarbij leek Henk van Woensel nog het meest op Catweazle, rossig vlashaar, wilde snor en een diep gebeitelde frons in zijn voorhoofd.

Henk van Woensel had echt wel pijn, daar bestond bij niemand twijfel over. Diabetes, een broekprothese, een stoma, katheter, eczeem, atrofie, hartfalen en nog een lange lijst met ziekten en klachten maakten het leven van Henk van Woensel er niet gemakkelijker, en zeker niet minder pijnlijker op.
Vervelend was wel dat Henk van Woensel de behandelingen min of meer saboteerde. Het leek als een soort van wraak op de omgeving die sabotage, maar hij had er uiteraard, en ‘in the end’, altijd alleen zichzelf mee.
Het was een trieste man.

Henk van Woensel vloekte en schold. Altijd. De verpleging begroette hij met een vloek. Het eten met schelden. Het licht met grommen, het donker met grauwen. En daar hielp niets tegen.

Of toch wel?
Het was 1e kerstdag. Henk van Woensel riep, toen de zaaldeur openging: ‘Auw, godverdomme. Dat gaat pijn doen!!’ Henk van Woensel schreeuwde, toen het licht aanging: ‘Hooo, godverdomme, dat licht!! Klootzakken! Owwww, godverdomme’. De verpleegkundige, ook niet de beroerdste riep vrolijk: ‘Goedemorgen allemaal.’ Goe-de-morre-gen meneer van Woensel, vrolijk kerstfeest!’ ‘Aauw, godverdomme. Het is die moordenaar weer!! Owww…godverdomme, dat gaat pijn doen! Aaauw, godverdomme, godverdrdomme, godverdomme’, was de reactie van Henk van Woensel.
Henk van Woensel, die zoals eerder gezegd, zelf niet echt wilde meewerken, had veel hulp nodig ‘s morgens. Wassen, aankleden, medicatie, stoma verschonen, huid verzorgen afijn, intensief dus.

Het op gang helpen van Henk van Woensel was niet echt bevorderlijk voor de kerststemming. De verpleegkundige had een zacht kerstmuzakje aangezet, maar het geraas en getier van Henk van Woensel overstemde alles.

Na een minuut of vijf was de verpleegkundige er wel klaar mee. Met het gevloek. Hij sprak, min of meer tegen beter weten in, Henk van Woensel aan op zijn gedrag: ‘Meneer van Woensel, nu moet u eens luisteren. Ik weet dat u pijn heeft. Ik weet dat het allemaal heel onprettig voor u is. Maar het is eerste kerstdag! Uw kamergenoten kunnen er ook niets aan doen. Het is een christelijk huis hier. Mensen vieren vandaag kerst, de geboorte van Jezus Christus. Ik zou het zeer op prijs stellen wanneer u, in ieder geval vandaag, het vloeken achterwege zou laten. Ik snap ook wel wat u bedoeld wanneer u iets anders roept. Laten we afspreken dat u gewoon ‘Komkommer!!’ roept vandaag. Dan weet ik wat u bedoelt, en hebben andere mensen er niet zo veel last van! Kunnen we dat afspreken?’

Henk van Woensel was stil. Met een oog loerde hij naar de verpleegkundige, maar zei niets.
‘Meneer van Woensel? Kunnen we dat afspreken?’
De verpleegkundige vatte het zwijgen op als een ‘ja’.
‘Goed, dank u wel. dan ga ik nu even uw huid schoonmaken.’
Aaauwww, dat gaat pijn doen!!’ Riep van Woensel.
‘Auuwww, aauw, aaaauuwwwww KOMKOMMER GODVERDOMME!!’

Toen schoten zij beiden in de lach.

© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑