Datum10 februari 2010

Hoe vaak neukt de Homofiele bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander?

Bericht in De Standaard: BRUSSEL – Belgische homo’s hebben gemiddeld 118 keer per jaar seks. Dat blijkt uit een onderzoek van de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Vrije Universiteit Brussel. Dit ligt een stuk lager dan het Hongaarse gemiddelde van 150 keer per jaar. Bovendien was er bij de Hongaarse mannen geen vermindering van de seksuele activiteit met het ouder worden.

Graaijer, Grijper en Schraaper (bekend van onder andere Het oortje van van Gogh,  en Boris Boef Braver en het onderzoek naar Vrouwen en Sex) onderzochten in opdracht van de Stichting Sex Onder en Tussen Dieren (SOTD)  het sexuele gedrag van de homofiele bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander.

De presentatie van de resultaten was nog niet begonnen. De zaal was al wel vol gestroomd met leden en donateurs, de beamer stond al enige tijd te snorren, maar ons onderzoeksteam zat nog in de bestuurskamer.

‘Ik wilde voor wij beginnen toch nog even wat vragen als dat mag’, begon stichting directeur Amalie Greutjens. De drie heren knikten simultaan, het mocht. ‘Voorafgaand aan de opdracht die de stichting aan u heeft verstrekt hebben wij, samen met u, een begroting gemaakt van de te verwachten kosten. U heeft toen een bedrag genoemd van ongeveer € 1100. Gisteren viel de rekening bij ons in de bus, en ik moet zeggen. Ik ben toch redelijk geschrokken.’ Hierna viel er een stilte.
‘En uw vraag is precies?’, vroeg Graaijer. ‘Nou’, ging Amalie verder, ‘De factuur vertelt mij dat de totale kosten zijn opgelopen tot € 234.159,34! Hoe kunnen de kosten nu zo uit de hand lopen?’
‘We zouden het voor u kunnen onderzoeken’, grapte Schraaper.

Omdat niemand moest lachen greep Grijper in: ‘Mevrouw Greuntjes, u vroeg ons een onderzoek te plegen en dat hebben wij serieus genomen. De onderzoeksvraag bleek echter zo breed te zijn dat wij, om u van de juiste data te kunnen  voorzien, veel onvoorziene kosten hebben moeten maken.’ ‘U vroeg ons de frequentie van het sexuele contact tussen homofiele bruin-geel gestreepte Bidlipsalamanders te onderzoeken’, ging Grijper verder. ‘Maar gaandeweg werd het al snel duidelijk dat dit geen eenvoudige vraag was. Wist u bijvoorbeeld dat de jonge bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander het veel vaker doet dan de wat oudere bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander. En dat leeftijdsdeterminatie van bruin-geel gestreepte Bidlipsalamanders nog in de kinderschoenen staat?’ ‘Tsja, en dan blijkt tijdens het onderzoek dat de bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander niet alleen in Nederland voorkomt, maar ook in Hongarije!’, viel Schraaper hem bij. ‘En u begrijpt, zonder gedegen onderzoek is er geen sprake van een onderzoek!’, vulde Grijper aan. ‘Dus, hoppa, konden wij weer naar Hongarije!’
‘En dan de bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander zelf’, begon Grijper. ‘Het mannetje van de bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander heeft maar een heel, heel  klein piemelemoosje, nauwelijks waar te nemen. En de vrouwtjes van de bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander heeft geen vagina, maar een vaginaadje; tjonge wat een minispleetje is dat. Dus als wij al twee groen-geel..’ ‘Bruin’, viel Amalie hem in de rede. ‘O, sorry. Ik bedoel natuurlijk als wij al twee bruin- gestreepte Bidlipsalamanders, die zo u weet zeer schuw zijn, op heterdaad en tijdens de daad konden betrappen, dan kostte het ons een halve dag om te bepalen uit welke geslachten dit koppel was opgebouwd.’
‘Wij bedoelen maar aan te geven dat wij als onderzoeksbureau het allemaal wel mee vinden vallen, qua kosten’, vatte Grijper kort samen.
Amalie Greuntjes zuchtte eens diep en pakte haar aantekeningenblok, opende de deur en vroeg aan de heren of zij klaar waren de resultaten te presenteren. ‘Oh, wel zeker!’, riepen zijn gedrieën in koor.

‘Waarom wil iemand het eigenlijk weten?’, vroeg Schraaper aan Amalie Greuntjes terwijl zij gezamenlijk door de gang in de richting van het auditorium liepen. ‘Wat?’, vroeg Amalie.
‘Hoe vaak een homofiele bruin-geel gestreepte Bidlipsalamander sex heeft.’
Amalie zweeg.

Ballen in de buik

Kees-Jan Olieslager was met een peloton ME uit zijn flat in Zandvoort gehaald. De buren vonden het namelijk niet zo prettig dat Kees-Jan al zijn meubilair door de ramen van zijn op de tweede verdieping gelegen appartement naar buiten had geworpen. Ook het gegeven dat hij daarbij erg schreeuwde vonden de buurtbewoners uiterst ongewenst.

Hij was altijd al een vreemde snuiter geweest, zo meende de omwoners, maar nu ging hij toch echt te ver.
Omdat Kees-Jan de deur aan de binnenkant gebarricadeerd had met een fiets, zijn brommer en een stalen bedframe, maar misschien nog meer omdat hij, piemelnaakt, in het raamkozijn met een zwaard stond te zwaaien, rukte de politie met zwaar materieel uit. En de brandweer. En de ambulance. En de rest van Zandvoort.

Kees-Jan werd geboeid en vastgebonden op een brancard de gesloten opname afdeling van het psychiatrische ziekenhuis binnengereden. De broeders en de vier begeleidende politieagenten stonden wat onwennig naast de brancard in de gang. Kees-Jan kon zich nauwelijks bewegen. Zijn grote, uitpuilende ogen schoten angstig door zijn kassen. Hij bibberde. Van de angst en van de kou.
Het was 21 juli, drie uur ‘s nachts en ongeveer 22 graden Celsius.

Omdat niemand wist wat Kees-Jan zou gaan doen wanneer hij uit zijn boeien bevrijd zou worden kreeg hij eerst nog maar een kalmerend middeltje per injectie en werd hij direct doorgereden naar een separeer ruimte, al waar hij dan eindelijk werd bevrijd.
‘Dekens’, bibberde Kees-Jan.
Meer kwam er niet uit.
Kees-Jan kreeg dekens, draaide zich rillend om en sloot zijn ogen.

De volgende dag bleek Kees-Jan een uiterst rustige, verlegen, angstige en vooral psychotische man te zijn. Het was niet zijn eerste opname, en het zou, zo het zich liet aanzien, ook niet zijn laatste zijn.
Kees-Jan had het idee dat ‘de buren’ hem via de muren konden beïnvloeden. Zij konden in zijn hersenen kijken en zijn gedachten lezen. Als klap op de vuurpijl hadden de buren bij Kees-Jan een ijsbal in zijn buik gestraald. Dat wil zeggen, in de beleving van Kees-Jan dan.
In de situatie van Kees-Jan helpt er in eerste termijn vaak maar één ding: pillen.

De daaropvolgende ochtend lag Kees-Jan diep onder de dekens in zijn bed toen de leerling verpleegkundige binnenstapte met het medicatieblad. Deze leerling had een missie. Voor het eerst zou zijn de pillen zelfstandig uitdelen. En, psychiatrische patiënten gedwongen opgenomen zijn en medicatie; dat is wel eens lastig.
Zij was duidelijk niet van plan om de eerste de beste keer terug te keren met berichten als ‘hij wil het niet’.
‘Goedemorgen meneer Olieslager. Het is tijd om op te staan en… ik heb hier uw medicatie.’ Kees-Jan Olieslager keek argwanend vanuit zijn bed naar de vriendelijk lachende zuster. ‘Het is koud zuster’, reageerde hij. ‘Nou, dat valt wel mee hoor, en we hebben een warme douche. Maar eerst even uw pillen.’ Kees-Jan keek naar de zuster en toen naar de hand met de medicijnen. ‘Nee zuster’, zei hij. Ik hoef geen pillen. Ze moeten die ijsbal uit mijn buik halen. Dan is alles goed.’ De zuster drong aan: ‘Meneer Olieslager, u bent opgenomen in een ziekenhuis. U heeft pillen nodig om weer beter te worden.’
‘Nee hoor’, was de kalme reactie van Kees-Jan. ‘Ik heb warmte nodig.’
‘Luister nou meneer Olieslager (de zuster werd wat paniekerig), de dokter heeft deze medicatie voorgeschreven zodat u zich weer wat beter gaat voelen, ik wil graag dat u deze inneemt, uit bed komt en u gaat aankleden.’
Kees-Jan Olieslager dacht even na en zei toen zeer beslist: ‘Er is een ijsbal in mijn buik gestraald, en die moet er uit worden gehaald. Ik behoef geen pillen, ik behoef een operatie!’

De zuster raakte nu ongeduldig en besloot de confrontatie te zoeken. Immers; met de pillen en hangende pootjes terug keren naar de verpleegpost? Nooit!
‘Meneer Olieslager, luister. Er is lichamelijk he-le-maal niets mis met u! Er zit geen ijsbal in uw buik! U heeft een probleem in uw hoofd! Daar gaat het niet goed! En daarom krijgt u medicatie. Om dat weer beter te maken!
‘Denkt u dat zuster?’
‘Ik weet het wel zeker!’ (De leerling verpleegkundige begon inwendig al een beetje te juichen.)
‘Nou u het zegt..’, ging Kees-Jan door.
‘Het is wel koud in mijn hoofd!’

Hierna trok Kees-Jan de dekens tot over zijn kruin en bleef de rest van de dag in bed.

© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑