Datum23 januari 2010

De Wachtkamertijgers

Bij binnenkomst in de ruime, helverlichte wachtkamer van de oogpoli zag ik het meteen. Dit waren wachtkamertijgers. De oudere dame en heer bleven een ogenblik staan, monsterden de omgeving en wierpen elkaar een korte blik van verstandhouding toe. De taken waren al verdeeld. Een korte knik van de man en de vrouw stevende resoluut op de grote vierkante tafel af, pakte een stoel en begon zich te installeren. Tas op tafel, jas over de stoel en uit de grote stapel grotendeels stukgelezen leesvoer viste zij behendig twee Privé’s, een Weekend, een Story en  een Libelle. O ja, en een Readers Digest. (Hoe iemand die bij de oogpoli loopt dat kan lezen is mij trouwens een raadsel…)

Haar man ondertussen meldde zich aan de oogpolibalie. Afsprakenkaartje? Check. Ponskaart? Check.
Knikje, en zitten.

Zo gruwelijk is Haïti

Daar sta je dan. In je witte overall. Je draagt je steentje bij aan het opnieuw leefbaar maken van Haïti. jouw taak is het ruimen van de doden. En wanneer dat ruimen niet één, maar tienduizenden doden betreft, dan vervagen grenzen. Dit is puinruimen in Haïti. In zijn naakte gruwelijkheid, in zijn onmenselijkheid, in zijn ergste waarheid.
Nee, neem het de man niet kwalijk. Nee, neem het de fotograaf niet kwalijk. Het is niet onmenselijk, maar ontdaan van menselijkheid.

Henk

Henk was mijn vriendje. Ik zeg vriendje niet omdat Henk zo klein was, maar omdat Henk een vriendje uit mijn jonge jeugd was. Henk, of Henkie zoals ik hem altijd noemde had een guitig gezicht en rode krullen. Henkie had ook een zus die ik heimelijk nog leuker vond dan Henk zelf, maar dan op een geheel andere manier.
Henkie woonde achter ons, aan de Walvisvaardersweg in Den Helder. Toen ‘de Schoten’ nog een kale vlakte was met hier en daar een nieuwbouwwijk.
Met Henkie was het altijd lachen. Henk was slim, intelligent, creatief en ook nog eens grappig. Een goeie combinatie voor een jongen met een guitig gezicht en rode krullen. Henk kon ook goed schaken. Hij sloeg mijn vader in een paar zetten van de tafel en dat vond ik destijds heel knap; mijn vader slaan.
Op een zomerdag kwam Henk in het ziekenhuis terecht. Hij was, naar eigen zeggen, na een zwempartijtje de weg overgestoken en door een Volkswagenbusje aangereden. Henk had water in zijn oren en daardoor het busje niet gezien of gehoord. Het maakt niet uit of dit precies klopt, ik vond het een aannemelijk verhaal. Henk had, naar ik mij herinner, een schedelbasisfractuur en een kapot been. Hij lag uiteindelijk in het Lidwina ziekenhuis in het centrum van Den Helder, in een houten aanbouw. Ik zocht Henk daar op, dat wil zeggen, ik stond in de perkjes en Henk lag binnen. Je mocht destijds als jongen van een jaar of 10 niet zo maar op bezoek op een kinderafdeling.
Toen Henk uit het ziekenhuis kwam liep hij anders. Hij had er een soort van klapvoet aan overgehouden. En Henk was ook voor de rest ‘anders’ geworden. Al weet ik niet meer wat er nu precies ‘anders’ was aan Henk. Misschien is dat alleen perceptie mijnerzijds. Er was meer afstand. Niet zozeer tussen Henk en mij, maar tussen Henk en de rest van de wereld.
Er zijn twee anekdotes die mij, in mijn eindeloze avonturen met Henk, nog helder voor de geest staan.
In 1974, ik was toen dertien, hadden Henk en ik het plan om naar de bioscoop te gaan. ‘Help de dokter verzuipt’ draaide. Willeke was toen nog ‘every young boys dream’, en zeker die van Henk en mij. Wij stonden voor het Rialto en zagen tot onze schrik dat de vier gulden die wij samen rijk waren, Henk 1,50 en ik 2,50, een gulden te weinig was voor twee kaartjes. Wat te doen?
‘Wacht’, zei Henk, en zette mij op de hoek, voor de Hema, te wachten. ‘Ik regel het wel’. Binnen twee minuten was Henk terug. We mochten er in, voor het totaal bedrag van vier gulden. Dat Henk mijn hand pakte toen wij bij de kaartcontrole kwamen, dat vond ik wel wat vreemd, maar ja.
‘Dom kijken’, siste Henk mij nog even toe en trok mijn hemd uit mijn broek.
‘Kom maar, kom maar, ga maar met Henk mee’, suste Henk terwijl hij mij langs de kaartcontrole loodste.
Wat had Henk gedaan?
Henk had de manager vertelt dat ik zijn zwakzinnige, en vooral straatarme buurjongetje was die zooo graag eens naar de film wilde. En dat was niet alles, Als ‘extraatje’ had Henk vertelt dat zijn buurjongetje heel agressief werd wanneer hij zijn zin niet kreeg, en dan vre-se-lijke stennis kon maken.
De manager vond Henk zo lief dat we in de pauze zelfs nog wat te drinken kregen.
Ik zei al, Henk was een creatieve jongen.

Het zal in het zelfde jaar geweest zijn dat Henk mij vroeg: ‘Zal ik even langskomen bij jou op school?’ Ik zat op de Christelijke Wilhelmina Mavo en Henk niet. Ik zei dat Henk dat niet zou durven, en dat hij er ook niet in zou komen.

De geschiedenisles was een kwartier bezig toen er op de deur van het lokaal geklopt werd. Henk. Henk smoesde even met meneer van Dijk (de arme man) en Henk liep glunderend het lokaal binnen.
Henk deelde aan alle leerlingen folders uit die hij uit zijn tas toverde en verliet, knipogend naar mij, glunderend het lokaal.
De klas joelde. Meneer van Dijk was met stomheid geslagen.
Dit had hij nog nooit meegemaakt.
Een jongen die bloedserieus, in het kader van de actie ‘Wees eens lief voor je leraar’, reclame folders uitdeelde tijdens zijn les.
Briljante actie van Henk.

Ik begon dit stukje met te stellen dat Henk mijn vriendje was.

Dat klopt. We zijn niet met ruzie uit elkaar gegaan. Of gebrouilleerd geraakt.

Henk is een van de vele goede mensen die niet oud mocht worden.

Update 27 april 2010
Van Boukje, zus van Henk, ontving ik de onderstaande jeugdfoto.
Dit is veel meer de Henk zoals ik hem mij herinner.
Prachtige foto, haalt weer veel goede herinneringen boven.

© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑