Datum27 december 2009

Het oortje van van Gogh

Schilder Vincent van Gogh heeft zijn oor eind 1888 afgesneden, omdat hij vreesde de emotionele en financiële steun van zijn broer te verliezen.

Graaijer, Grijper en Schraaper (eerder ingeroepen door ministers Hirsh Balin en van der Laan) hebben het voor elkaar. Het bewijs is geleverd! Na minutieus onderzoek weliswaar, maar het moet uiteraard wel wat kosten! Maanden lang brachten de drie onderzoekers door in de spelonken van diverse musea. Tienduizenden kilometers hebben de mannen gereisd. Honderden mensen geïnterviewd. Peter R. de Vries geconsulteerd, ja zelfs Piet Paulesma is ingeschakeld om de weersomstandigheden van het moment suprême nader te onderzoeken.
Berend sprak met de helden in hun luxe suite op de bovenste verdieping van het Sheraton Londen, alwaar zij een kort moment hadden vrijgemaakt om de pers te woord stonden.
Hoe bent u bij dit onderzoek betrokken geraakt?

“Tja, dat is een lang verhaal. Kijk, weet u, het moest worden onderzocht. Dat stond vast.Wij hadden de tijd, de klant had de middelen. En, het is toch een Nederlander die een positieve uitstraling heeft in de wereld!”

Ok, als ik het begrepen heb is het verhaal nu zo: Vincent van Gogh heeft een brief van zijn broer gehad waarin hij verkondigd te gaan trouwen, hierdoor was Vincent bang geen geld meer te krijgen en om te voorkomen dat hij tussen wal en schip zou komen sneed hij een oor af. En dat heeft Vincent symbolisch weergegeven in een schilderij. En dat is nu zeker?

“Nou, kijk beste Berend. Zo ligt het natuurlijk niet. Dat zou wel erg simpel zijn.”

U bedoeld dat Vincent geen brief kreeg van zijn broer?

“Nee, maar hij zou heel goed een brief gehad kunnen hebben! Theo schreef hem wel vaker…”

Oh, maar Vincent sneed wel een oor af vanwege het trouwen van zijn broer?

“Tjonge jonge meneer. Luister nou. Als Vincent een brief heeft gehad, in die tijd, van zijn broer en die ging over het trouwen, dan had hij best wel bezorgd kunnen zijn en in wanhoop een oor af hebben kunnen snijden!”

Goh. maar die brief op dat schilderij. Die is wel aan zijn broer gericht?

“Jezus man. Dat is toch wel duidelijk! Als Vincent een brief heeft gehad, in die tijd, van zijn broer en die ging over het trouwen, dan had hij best wel bezorgd kunnen zijn en in wanhoop een oor af hebben kunnen snijden en dan zou het helemaal niet vreemd zijn wanneer hij dat uitbeeld door het postkantoor nummer, 67, dat ligt in de buurt van het adres van zijn broer op een stilleven te schilderen. Ben jij nou de enige die het niet ziet???”

Ja, sorry. Blijkbaar. Maar, die brief aan postkantoor nummer 67, die kan ook voor een ander geweest zijn?

“Ja, stoppen nu! Wat denkt u wel niet meneer! Vincent kende daar toch verder helemaal niemand!!” Er uit! We zijn hier serieus bezig ja. wegwezen, uit die recorder! OPDONDEREN vuile charlatan!!”

Weer buiten

Ik zag haar van verre aan komen lopen. Dikke jas, wollen muts en lange shawl. Naarmate zij dichterbij kwam was steeds duidelijker te zien dat de vrouw moeilijk liep. Niet mank, niet hinkend, maar een beetje scheef weg, is misschien de beste omschrijving van haar lopen.

We passeerden elkaar met een korte groet. Ik had haar inmiddels herkend, het was de bewoonster van de grote boerderij die aan het einde van de voor auto’s, doodlopende weg. Wandelaars en fietsers konden langs de boerderij, door zo genaamd ‘recht van overpad’ doorgaan tot aan de molen en dan langs de Trekvaart, richting Wommels. ‘t Djiplân heette het weggetje, al staat dat op de kaart niet aangegeven.
Het was koud en guur. Slechts omdat er een verplichting was naar de honden was ik buiten. Als het anders had gekund was ik liever binnen gebleven.De weg naar de boerderij aan het Djiplân was lang. En, omdat het geen officiële straat is wordt het door de TPG als een oprit gezien. De brievenbus stond derhalve aan het begin van het Djiplân, op anderhalve kilometer van de boerderij. Omkijkend naar een van de honden die achter bleef zag ik de oude boerin de klep van de ijzeren brievenbus openen, naar een blik naar binnen werpen en vervolgens weer sluiten. Geen post, geen krant, geen nieuws. Dat was ook niet verwonderlijk. Het was immers zondag.
Verder lopend probeerde ik mij voor te stellen of de vrouw nu teleurgesteld zou zijn door de lege brievenbus. Een half uur lopen naar een lege brievenbus. het was een wat treurig ‘3e kerstdag’ beeld. Het paste ook wel bij mijn stemming.

Ik besloot dat het mooi genoeg was geweest en keerde halverwege het Jiplân om teneinde thuis de warme kachel op te zoeken. Na een paar minuten stond ik weer oog in oog met de vrouw. Vanachter twee grote brillenglazen keken haar ogen mij levendig aan terwijl zij mij in het Fries aansprak. Ik had de vraag niet goed verstaan, dat gebeurde mij vaker als ik in het Fries werd aangesproken. De vrouw vroeg mij opnieuw, maar nu in het Nederlands: “Heeft het hondje niet zo’n zin?” De vrouw stond nu vlak voor mij en hoewel ik haar al veel vaker had gezien was ik nog nooit zo dicht bij haar geweest dat ik de sporen van arbeid, leven, kinderen, geluk en verdriet in haar gezicht kon zien. De wind deed haar ogen tranen en de koude had haar wangen getekend met rode vlekken. Niet met een blos, maar met vlekken.
Ik antwoordde haar dat ik meer diegene was die geen zin had, ik vond het koud en hield het daarom kort. De vrouw begon te praten. In snel tempo en met weinig pauzes. Dat zij er eindelijk weer uit kon vandaag. De sneeuw had het de afgelopen dagen onmogelijk gemaakt uit huis te gaan. want zij had een nieuwe heup. Nou ja, nieuw, al sinds ergens in de jaren negentig. Maar ja, je bleef toch voorzichtig met een nieuwe heup he. Niet alleen was de vrouw de afgelopen dagen opgesloten geweest in de grote boerderij, blijkbaar was zij ook verstoken geweest van menselijk contact. De vrouw vertelde verder, er voor wakend dat er geen stilte tussen haar zinnen viel. Over het ruimen van de sneeuw. Over de boodschappen die zij en haar man voor de hele feestdagen hadden ingeslagen. Dat er daarnaast altijd wel wat in de vriezer lag. En dat zij beiden gelukkig het vermogen hadden zich aan de situatie aan te passen. Kon zij niet naar buiten, dan bleven zij toch binnen? Vervelen? Nee, dat overkwam haar niet. Een puzzel van 1000 stukjes lag klaar voor het geval de volgende sneeuw zou komen. En, gewoon puzzelen, weet u wel, cryptogrammen en zo. Dat mochten zij ook heel graag doen. Maar nu, nu de sneeuw was verdwenen had ze toch maar het moment waargenomen om even naar buiten te gaan. En natuurlijk, post was er niet. Maar het hield je gezond, een wandeling in de frisse buitenlucht. Je moet immers wel, als de brievenbus zo ver weg is! Ach ja, alles had zijn voors en zijn tegens. Toch? De vrouw praatte en praatte. Stelde vragen en gaf het antwoord.
Er werd, anders dan de vragen zouden doen vermoeden, niets van mij verlangt. Ik was de juiste man, op de juiste plaats, op het juiste moment. Ik speelde wel een rol, maar ik had geen tekst.

Hoe gemakkelijk kon het leven zijn bedacht ik mij toen ik mijn weg vervolgde.
En koud had ik het ook niet meer

Berend belt met India

In India treedt politicus af (86) na sextape met drie (!!) vrouwen. Berend sprak met hem.

“Hello, mister Narain Dutt, how did you do it??”
“Well, young man, I need not say that I won’t eat that curry again.”
“Why is that?”
“It is to blody hot my friend, to blody hot.’
“But, mister Dutt, having sex with three woman, at 86, that is fantastic!!” Can’t you give me the recepe for our readers in The Netherlands?”
“It is not my recepe.” It is the recepe of my father.”
“Well, get your father on the phone!!”
“Sorry boy, I can’t desturbe him, he is in the middle of a party.”
“Party?”
“Yes, a sexparty with my grandmother, my nice and three of the neighbors…..”

Onder de Eikenboom IV [Bartje]

Bart van Koningsbergen was dement. De hersen verterende ziekte teisterde hem al een jaar of vijf. In het begin sluipend, hier en daar een ‘gaatje’ in zijn geheugen. Wat ging ik ook alweer doen? Maar als een genadeloze sluipmoordenaar had de ziekte Bart van Koningsbergen klein gekregen, heel klein.

Bart van Koningsbergen lag met zijn ogen open te staren naar het witte plafond. Zonder tanden en zonder bril, met de dekens tot aan zijn kin leek zijn gezicht op dat van een klein vogeltje. Bleek, breekbaar. Zijn blik was verbaast, zijn wenkbrauwen waren hoog opgetrokken en zijn mond hing open. De geluiden van de ochtendrituelen in Onder de Eikenboom leken aan hem voorbij te gaan.

“Nog tien rondjes mama.” “Toe, nog tien rondjes en dan kom ik heus naar binnen.” “Het is nog niet eens donker!” Mama glimlachte. “Ok, tien rondjes dan, maar dan kom je naar binnen hoor.” Bart stapte weer op zijn nieuwe fiets en vloog opnieuw zo hard als hij kon rond het plantsoen. Vandaag had hij, voor zijn elfde verjaardag een heuse fiets gekregen. Een glimmende, zwarte fiets. Met stang, bagagedrager en slot. In zijn hoofd telde hij de tijd die hij nodig had voor iedere ronde. Hij wist het zeker, hij ging steeds harder. Met steeds meer kracht wierp hij zijn nieuwe fiets door de vier bochten van het plantsoen voor zijn ouderlijk huis. In de vierde bocht van ronde zeven ging het mis. Zijn voorwiel gleed weg en Bart schoof met fiets en al onderuit het rozenperk in. De stoeprand voelde hij niet. De rozen wel. Een scherpe pijn striemde in zijn gezicht. “Mama”, huilde hij. En daarna harder: “Moeder!”

“Moederrrrr!!!” Bart van Koningsbergen brulde het door de zaal. Een vrouwenstem maande hem rustig maar dwingend tot kalmte. “Rusting maar meneer van Koningsbergen.” “Ik ben het, de zuster.” “U wilt zich toch wel scheren voor dat u naar beneden gaat?” Bart van Koningsbergen probeerde zijn gezicht weg te draaien van het geprik en gezoem maar zijn hoofd werd tegengehouden door het kussen en stilgehouden door een warme hand. Zijn handen kon hij niet gebruiken, de lakens waren stevig ingestopt onder de zware matras.

“Moeder!” “Mama!” Bart keek naar de kleine vrouw in de kist. Zijn moeder was niet groot, maar in deze kist leek zij nog kleiner. Hij vroeg zich af waarom zijn moeder in zo’n kleine kist lag. Zij zou zich niet kunnen bewegen. Hij voelde zich benauwd. Hij huilde. Hij kon de benauwdheid van de kist waarin zijn moeder lag opgebaard voelen. De hand die al die tijd op zijn schouder had gelegen trok Bart van de kist weg. “Kom maar jongen.” “Kom maar.” Het was zijn oma. Zij drukte bart tegen zich aan. De tranen van Bart maakten nog donkerder vlekken op de zwarte jurk van zijn oma. Hij kon er niets aan doen. Niet aan het huilen, maar ook niet aan de gedachte dat de jurk van zijn oma rook naar versgebakken brood met pindakaas.

“Alstublieft meneer van Koningsbergen, neemt u nog maar een stukje.” Bart van Koningsbergen kreeg zijn ontbijt hap voor hap in zijn mond geschoven. De witte boterham zonder korsten had door zijn eigen moeder gesneden kunnen zijn. Drie keer in de lengte, en dan vier keer in de breedte. Kinderhapjes. Na het stukje brood voelde hij een warme tuit in zijn mond waaraan hij automatisch zoog. Warme koffie met melk en suiker spoot tegen zijn verhemelte en liep zonder dat hij slikte in zijn keel.

“Hij doet het!!” Glimmend van tros zag Bart het zeilschip wind vangen en richting de overkant van de sloot varen. Hij hield het touw waaraan de klomp met zeil was vastgemaakt stevig in zijn rechterhand. Op zijn knieën zat hij op de rand van de duiker die de twee sloten met elkaar verbond. Achter hem stond zijn vader. Lange bruine jas, pijp in de mond. Hij keek om en zag dat zijn vader hem bemoedigend toelachte. “Kom jongen, we gaan naar huis, moeder wacht met het eten.” Bart trok aan het touw en trok de klomp tegen de wind in naar zich toe. De klomp was bijna onder de duiker toen een windvlaag het wollen draadje deed breken. Bart graaide naar de klomp. Hij reikte zo ver als hij kon. Het volgende moment voelde hij de kou van water. Hij zag alleen nog donker geel-bruine vlekken en graaide met armen en benen om zich heen. Paniek gierde door zijn lichaam. Geen besef van onder of boven. Geen lucht maar slootwater. Het geel en bruin werden donkerder, daarna werd alles zwart.

Hij voelde zijn gezicht rood worden. Uitademen moest hij, maar de behoefte aan zuurstof maakte dat Bart van Koningsbergen alleen kon inademen. De druk in zijn hoofd was onbeschrijfelijk. Het voelde alsof hij veel te lang zijn adem inhield. Hij moest ademen, maar het ging niet. Pijn ging over in een zachte tinteling. Angst maakte plaats voor rust. De koude waar hij al jaren last van had ging over in een warme, behaaglijke gloed. Het laatste dat hij hoorde was zijn naam die werd geroepen. “Bartje, kom maar jongen, kom maar bij mama.”

Mama zong een liedje.

“Doe mij dankbaar en gezond
opstaan in de morgenstond
als ik mijn oogjes open doe
lacht Uw zon mij vriendlijk toe.”

Hij voelde het gezicht van zijn moeder heel dicht bij het zijne. Een warme kus op zijn voorhoofd.

“Slaap lekker Bartje……”

Dat heeft die jongen nu wel nodig…..

De nieuwe show van Herman Finkers was op televisie. Na zeven jaar stilte een nieuw programma “Na de pauze”. Zonder snor, zonder zijn broer.

Het is Finkers ten voeten uit. Na zeven jaar weer optreden en je programma “Na de pauze” noemen. Dat Herman Finkers zeven jaar weg is geweest zal alles te maken hebben met het gegeven dat er bij hem kanker is geconstateerd. Veel in “Na de pauze” gaat ook over kanker, maar Herman kankert niet.
Er is wel iets veranderd bij Herman Finkers. Of laat ik het beter zeggen, ik vind dat Herman Finkers is veranderd in zijn show. Zijn taalgrappen zijn nog steeds erg goed gevonden, zijn blik is nog steeds die van een stoute jongen. Maar er hangt ook een donkere schaduw over Herman Finkers.
Een lief liedje over zijn vrouw, over tederheid zonder sex, wordt afgesloten met ‘anders ram ik hem er keihard in’. In een ander liedje vertelt Finkers dat je beter vijanden kan hebben dan vrienden.

Het lijkt er een beetje op dat Herman Finkers wel wil laten zien wat er met hem is gebeurd de afgelopen zeven jaar, maar de tranen voor zich zelf wil houden. En dat mag. Om dat te kunnen is de show van Herman Finkers wel harder geworden.

Dat heeft die jongen nu wel nodig….

© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑