Date10 december 2009

Afleggen in Urk

Het kamertje had niets persoonlijks, anders dan dat het een eenpersoonskamertje was. Een witte kast, een bedtafeltje en twee stoelen. Aan de verder witte muren slechts een ingelijste foto. Hij kende die foto. ‘Alle dertien net niet goed’ noemde hij die altijd. Vroeger, heel vroeger stond de foto ingelijst aan de Brakkeveldweg te Den Helder. Op de schoorsteenmantel, tussen nog een aantal ingelijste familie taferelen.
Het wrange was dat die foto helemaal niets te maken had met de oude stervende vrouw in het bed er onder. Het was dan wel familie, maar het waren geen kinderen, kleinkinderen of broers en zussen. Neven en nichten waren het. Maar dat was iedereen hier. Neef of nicht.

Op ‘alle dertien net niet goed’ keken vijftien paar ogen in de lens. Het waren een vader, een moeder en dertien nazaten. De oudste in de twintig, de jongste nog in de luiers. Niemand lachte. Zelfs de kleinste keek ernstig, enigszins verwonderd naar de fotograaf. Wat hem altijd opgevallen was dat iedereen op de foto een soort van debiliteit uitstraalde. De een wat meer dan de ander. Voor hem het bewijs dat de hele eilandbevolking een product van verregaande inteelt moest zijn. Waarschijnlijk waren vader en moeder naast echtlieden ook neven en nichten. Beide met ouders die ook neven en nichten waren.

“Tante Map, oom Gerard en hun kinderen.” Hij keek neer van de foto, over het bed met de stervende vrouw naar Ali op de stoel tegenover hem. “Drie zijn er al overleden.” “Jonge Map, Alie en Johannes.” “Johannes is op zee gebleven in 1980, Alie bleef in het kraambed bij haar vierde en jonge Map, nou ja, jonge Map is verdwaald en niet teruggekomen.”
Hij staarde een ogenblik in de koude, grijsblauwe ogen. “Jij bent toch Aaltje?” “Ja”, ze zei het zonder een spoor van emotie, herkenning of beleving. “Ik ben Ali, of, zoals jij mij vroeger kende, je nicht Aaltje.”

De stervende oude vrouw kreunde zacht. Het ademen ging zichtbaar zwaar. Haar borstkas bewoog met schokken op en neer en iedere ademtocht ging gepaard met een zacht gereutel. Het gereutel waarvan je de keel wilt schrapen. Het zelfde effect dat je gewaar wordt wanneer je een baby te eten geeft. Je opent zelf je mond wanneer je de lepel naar het gezicht van de kleine brengt. Je kunt niet anders, het gaat gewoon zo.
“Ja tante, ik ben hier hoor, stil maar.” Ali sprak fluisterend maar ook hier was de toon vlak. Geen muziek, geen emotie, geen compassie, geen herkenning en geen beleving.
De ogen van zijn oma, stervend na 93 levensjaren leken een moment op te lichten waarna zware oogleden ze weer sloten.

Hij hield haar rechterhand vast bij de dunne pols. Haar huid was als perkament, maar voelde zacht. De huid zag er gerimpeld en dor uit, alsof iedere beweging de huid zou doen breken. Hij keek naar de blauwe aderen die vlak onder de huid liepen en volgde een kort moment een kleine vertakking tot deze uitkwam op een van de grotere hoofdaders op haar onderarm. Hij keek glimlachend naar de, nu nog prominentere moedervlek op zijn oma’s arm. ‘Het biscuittje’, een moedervlek in de vorm van een Verkade koekje. Geen ronde, geen vierkante maar een langwerpige met afgerond hoeken. Met een laagje suiker, zo meende hij zich te herinneren.

Hij keek over het bed naar Ali. Hij dacht aan vroeger. Aaltje die met haar zus bij zijn oma logeerde, hij die op de fiets naar oma ging. Om Aaltje te zien. Aaltje was vroeger een leuke meid. Spontaan, vrolijk en een tikkeltje ondeugend. Hij wilde wel met Aaltje, maar wist ook dat dat niet ging. Aaltje was een nicht van hem. Hij kon zich eigenlijk niet voorstellen dat zijn Aaltje, het meisje uit zijn herinneringen en deze Ali, een stuurs breiende vrouw met dode ogen, een en dezelfde persoon waren. “Ik heb afgesproken met de leiding dat ik tante zal afleggen als het zo ver is.” ‘Afleggen’, uit de mond van Ali klonk het zoals het nooit bedoeld kan zijn geweest. Als een klinisch onderdeel van een proces. Geboren worden, opgroeien, doodgaan, afleggen. Zonder aanwijsbare reden schikte Ali de dekens. Tilde het hoofd van de oude vrouw iets op, schoof het kussen een beetje omlaag en ging weer verder met breien. “Voor de jongste van Henrikje, onze oudste.” Ja, ik ben alweer een tijdje oma.” De benige vingers deden in moordend tempo hun werk. Handen die warmlopen voor het afleggen, zo hoorde hij zichzelf denken.
Ali had donkerblond, wat vlassig haar. Ondanks dat het haar strak op het achterhoofd was samengebonden in een knot, zag je de slagen die het haar zouden doen krullen, mits het de kans daartoe kreeg. De huid van Ali was bleek, een beetje doorschijnend. Zij droeg een hoog gesloten, donker wollen vest waaronder een al even donkere rok. Donkere kousen en zwarte schoenen. Alles even koud, geen franje en geen fratsen. Behalve een dunne gouden ring droeg Ali geen sieraden.

Ali begon te praten. Tegen hem, zo nam hij aan. Ze keek hem niet aan maar hield de blik strak op haar breiende handen, slechts af en toe een blik werpend op het bed met zijn oude, reutelende oma. Dat ze altijd nachtdienst draaide, en nooit televisie keek. Dat de kinderen de deur weer uit waren, dat Johan op de afslag werkte. Overdag. Dat zij elkaar mooi afwisselden. Dat ze haar kleinkinderen dan in de avonduren wel eens had, als Henrikje naar de avondschool ging. Want Henrikje kon goed leren. En Henrikje was vroeg getrouwd, met Klaas van Hendrik en Greet Bos. Zijn blik zat vast aan haar dunne, snel bewegende lippen. Hij vroeg zich af of een dove deze lippen zou kunnen lezen. En zou een dove dan ook zien wat hij hoorde? De mond van Ali liet de woorden die zij sprak nauwelijks naar buiten ontsnappen. Alsof het een poort was waarachter ieder woord eerst zorgvuldig en via strikte regels door de censuur werd gewogen alvorens het toestemming kreeg om door de nauwe doorgang naar buiten te vluchten. Koude ogen, doorzichtige huid en bleke smalle lippen. Hij bedacht zich dat deze vrouw zich had ontdaan van alles wat maar naar vrouwelijkheid en erotiek rook. Hij vroeg zich af hoe dat moest zijn, Ali en Johan. Wanneer zij, een keer per veertien dagen samen de nacht doorbrachten. Een lichte rilling trok over zijn rug. Gadverdamme. Het idee was gewoon onsmakelijk.

“NEUK JE WEL GENOEG?” Een schreeuwende gedachte. Hij wilde van de beklemming af. Hij wilde dat Ali zou toegeven dat zij met Johan nooit meer neukte, al meer dan vijftien jaar zijn geslacht niet meer gevoeld had en dat ze, godverdomme nog aan toe, beneden helemaal verdroogd was! Dat ze, ondanks haar negenenveertig jaar jonge leeftijd, al niet eens meer aan erotiek dacht! Dat ze daardoor wellicht alleen nog maar aan het breien was, en de bijbel las, En nooit televisie keek, en alleen maar in de nachtdienst werkte. Dat ze eigenlijk veel liever eens een hoer genoemd wilde worden dan een goede moeder! Godverdomme nog aan toe! M’n ouwe tante afleggen? NEUKEN MOET IK!!!

De komst van nog meer ‘neven en nichten’ werden hem te veel. Hij nam afscheid van zijn oma, groette de inmiddels vijf aanwezigen en liep de kamer uit, de licht bruin geverfde gang in. Hij wandelde langs de grote huiskamer, waar behalve drie aan stoelen vastgebonden ouderen niemand aanwezig was. Een van de oudjes, een grote bonkige man met dik grijs haar, keek hem met grote verschrikte ogen aan en bulderde met hese stem: “Heee..hee…jij daar, haal me weg!!” “Haal me weeggg!!!” Hij liep door tot hem de doorgang verspert werd door een dichte schuifdeur. Geen handvat, geen klink. Alleen een dichte deur. Hij keek om zich heen en zag een klein vrouwtje in klederdracht die hem aandachtig leek te bestuderen. De vrouw sprak met kalme stem: “We mogen er niet uit, je moet een code hebben.” Zij wees op een klein toetsenbordje aan de muur. Boven het toetsenbordje, met de cijfers 0 tot en met 9 hing een briefje: ‘13477’. Na het intoetsen van de code opende de schuifdeur en was hij in enkele passen bij de draaideur naar buiten.

De warme wind voelde koel op zijn bezwete voorhoofd. In de auto keek hij nog eenmaal naar het huis. “De Veilige Haven”. De – Veilige – Haven. Hij sprak de woorden langzaam en overdreven gearticuleerd uit.
Eenmaal op de A7 ging zijn telefoon. Het was zijn moeder die hem vertelde dat zij net was gebeld door oude tante Map. Oma was overleden.

Terwijl hij met 160 kilometer per uur naar Friesland vloog bleef hij de benige vingers van Ali voor zich zien die zijn oma snel, efficiënt en routinematig zouden afleggen.
In zijn hoofd klonk een kinderversje dat oma vroeger altijd zong wanneer zij hem naar bed bracht.

‘Ik ga slapen, ik ben moe.
Sluit mijn beide ogen toe.
Here houdt ook deze nacht,
over ons getrouw de wacht.
Amen.’

Het Ziekenhuis III

Allejezus! Denk je rust te hebben. Komt er bezoek!

Afhankelijk van de reparatie die u moet ondergaan wordt u opgenomen op een afdeling in het ziekenhuis. U wordt als het ware gecategoriseerd. Wanneer u dus slachtoffer bent van een eng beestje ergens in uw lichaam dan wordt u op een zaal gelegd waar dat enge beestje vaker voorkomt. Of andere enge beestjes die u nog niet heeft.

Op deze zaal liggen meer slachtoffers. Andere mensen die u niet kent, en die u zo later blijkt ook niet wilt kennen. Deze andere mensen kreunen, steunen, snurken, laten scheten en ruiken niet lekker.
Gelukkig ligt u naast het toilet. Dan kunt u tenminste horen hoe de buurman zijn tot snot gemalen worteltjes met kipfilet een laatste groet brengt.

Het hoogtepunt, of zo u wilt het dieptepunt van iedere dag is het bezoekuur. Grote groepen goedbedoelende familieleden en ‘vrienden’ komen langs om u (en de rest van de zaal) te vertellen welke gruwelijke beelden en verhalen zij gezien en gelezen hebben over uw ziekte op het Internet. Uiteraard gelardeerd met verhalen over mensen die het, ondanks alle behandelingen, na een slopend ziektebed toch net niet hebben gered.

Als het helemaal meezit wordt er nog even flink geklaagd over de drukte thuis, op kantoor en dat er niets op de televisie is. Nee, eigenlijk bof jij maar. Voor jou is alles geregeld. Jij mag lekker in je bed liggen. Jij hoeft niet naar kantoor, te koken en boodschappen te doen.
Boffert!

Het Ziekenhuis II

Broeder
Meneer van Veen

“Hallo meneer van Veen, we gaan even uw temperatuur opnemen.”

“We??”

“Nee, stopt u hem maar achterin! dat geeft echt het beste resultaat.”
“Nee meneer van Veen, het hoesje mag u er omheen laten. Stopt u hem er maar in. Van achteren ja…”
Even de pyamabroek laten zakken meneer van Veen.”
“??”
He, nou heeft u de thermometer uitgezet meneer van veen! Haalt u hem er maar weer uit.”

“??”

“ER UIT meneer van Veen! Goed zo. En nu het knopje weer even indrukken. Het KNOPJE! Goed zo.”
“Nu mag de thermometer er weer in.”

“??”

“Het gadverdamme meneer van Veen!!! VAN ACHTEREN!!!
“Niet in uw mond!!!”

Het ziekenhuis

Zuster
Mevrouw de Vries

“EVEN WACHTEN MET SPUGEN MEVROUW DE VRIES!!!!’

“Uuuurgggg…. Bleerrrrk….”

“Doe ik even het gordijn dicht”

“Uuuurgggggkkkkllll…..KOTS….”

“Kunnen de andere patienten even doorgaan met hun lunch”

“Uuuuggggllll…..aaargggg!!!”

 “Nou mevrouw de Vries. Dit is een beetje onsmakelijk hoor!
Ik had nog zo gezegd in het teiltje!
Kijk nou, uw hele maaltijd zit onder…”

Blijf thuis!!! (Het mist in China)

Ik ben geen ochtendmens. Veel mensen vinden mij overigens ook geen middag-, avond- of nachtmens, maar dat terzijde. Ik wordt het liefst wakker met een kopje koffie op bed, de t.v. aan en een kwartiertje na-dommelen, koffie snuiven en het nieuws luisteren. Luisteren? Ja, luisteren. Mijn bril ligt meestal beneden.

Deze morgen was het gelukkig feestelijk wakker worden. Ik hoef vandaag de deur niet uit en dat is maar goed ook. Op het nieuws hoorde ik namelijk dat er in een of andere verre uithoekprovincie van China ‘zeer dichte mist’ heerst waardoor het verkeer helemaal vastloopt. Jezus, je zul je altijd zien! Wil je net vandaag een paar schemerlampen aanschaffen bij de Buplo in Xiang-Deng-Lung, sta je met je Landlovel zestien uur in de file!!

Het goede nieuws is, en daar kunnen wij weer wat van leren, die Chinezen pakken zulks goed aan. De overheid pakt dit probleem meteen, en rigoureus op. Niet passief achteroverleunen en wachten tot de mist weer optrekt, nee, de Chinese overheid heeft directement een paar honderd agenten de snelweg opgejaagd om het verkeer te gaan regelen. Immers, automobilisten die geen hand voor ogen zien, dat is levensgevaarlijk!

Stel je dus voor hoe dat gaat. In het hoofdkantoor van politie in de provinciestad Xiong zit hoofdcommissaris Lee reeds om vijf uur ‘s ochtens te staren naar een lange lijst met namen. Ook vandaag moet hij volgens de orders weer 117 agenten leveren. Van de 163 agenten die hij gisteren stuurde zijn er slechts 3 teruggekeerd. Van 26 agenten weet hij dat zij zijn overreden en overleden, 16 liggen er nog altijd zwaar gewond op het asfalt en van de rest is niets meer vernomen.

En wanneer zijn die verdomde fietsen die hij bijbesteld heeft er nou eindelijk?

© 2021 Berend Quest

Thema door Anders NorénOmhoog ↑